Mar 21, 2019

Over de tijd die vliegt, verlangen naar vroeger en zoeken naar hoop voor morgen

‚Ik ben heel blij 50 geworden.‘ schreef een vriendin mij afgelopen weekend, nadat ik haar via WhatsApp had gefeliciteerd. We zijn van dezelfde jaargang. Daarbij komt: we kennen elkaar al sinds de 2e klas lagere school. Toen waren we 6. En ik zie haar nog zo voor me, in de klas. Waar blijft de tijd?

Een vriend van mij gaat verhuizen. Tijdens het opruimen komt hij foto’s tegen, gemaakt in de jaren 80 en 90. Nog net een tiener, ging hij in die jaren weleens op bezoek bij bekende Nederlanders, waaronder Willeke Alberti. Dat heeft leuke foto’s opgeleverd, die hij nu op Facebook zet. Plaatjes uit een ander leven, lijkt het wel. En hij vraagt zich hardop af: ‚Waar is de tijd gebleven?‘

Begin deze week was ik uitgenodigd om mijn verhaal te vertellen voor een groep studenten psychologie. Later die avond was ik op Schiphol, onderweg naar huis. Schiphol: de plek waar ik jarenlang heb gewerkt, tot aan het moment dat ik in een rolstoel terecht kwam, eind 1999.

Mijn vlucht vertrok vanaf de zogenaamde C pier. Nu is er op Schiphol heel veel veranderd, maar de C pier is nog exact zoals 20 jaar geleden. Zelfs de vloertegels lijken nooit te zijn vervangen. Oftewel: over die tegels liep ik 20 jaar geleden nog met twee benen. En nu reed ik er in mijn rolstoel overheen. Bizar. En misschien is het wel de leeftijd, maar plotseling voelde ik een extreem verlangen opkomen om de tijd te kunnen terugdraaien. Terug naar het moment dat ik nog kon lopen.

Ik keek om mij heen. Een gevoel van misselijkheid trok door mijn lichaam Want hoewel haast twintig jaar zijn gepasseerd, leek het zo ineens zó dichtbij: het moment dat ik hier voor het laatst had gelopen. Alsof ik het kon vastpakken. Ik wilde het vastpakken! Maar hoe? Misschien moest ik mij, vanuit mijn rolstoel op de grond werpen, en mij vastklampen – letterlijk  - aan die oude vloertegels, in de hoop dat door een wonder, als door tovenarij de tijd zou terugdraaien naar ergens in de jaren 90...

Toen ik even later aan boord van het vliegtuig zat, haalde ik ‚De Alchemist‘ van Paolo Coelho tevoorschijn. Omdat ik vertelde te worstelen met een aantal levensvragen, raadde een familielid mij een tijdje terug aan om dit wereldberoemde boek te lezen. Een citaat: ‘...doordat ik niet in het verleden en niet in de toekomst leef. Ik heb alleen het heden, en alleen dat interesseert mij. Als het jou lukt je altijd tot het heden te beperken, zul je een gelukkig mens worden.‘‘

En terwijl ik naar buiten keek en zag hoe de lichtjes van Amsterdam steeds kleiner werden, herinnerde ik mij hoe na afloop van mijn voordracht, een studente mij had gevraagd of ik nog een tip had: iets om aan te denken bij de omgang met toekomstige patienten.

‚Als je met iemand hebt gesproken, aan het einde van het gesprek, dan zou je kunnen zeggen: ‚Ik heb goed naar je geluisterd‘. Dat lijkt misschien overbodig. Want het is vanzelfsprekend dat je luistert – goed luistert – naar je patienten. Maar voor die patienten zelf is het niet altijd makkelijk om hun verhaal te vertellen. En soms zijn ze bang niet goed begrepen te worden. Of niet gehoord. Door aan te geven dat je goed hebt geluisterd, kun je een deel van die onzekerheid wegnemen.‘

Na de lezing had ik afscheid genomen van het groepje studenten dat de bijeeenkomst had georganiseerd. Jonge mensen, ergens begin 20.

‚We zijn blij dat je bent geweest, Viktor!‘, zei een van hen. ‚Want eigenlijk leren we alles alleen maar uit boeken.‘

Zijn studiegenoten knikten.

‚En nu kunnen we een keer praten met iemand die het heeft meegemaakt. Dat helpt ons, de nieuwe generatie, om beter voorbereid te zijn op ons werk.‘

En toen schoot mij een gezegde te binnen: ‚Een samenleving gaat vooruit als oudere mensen bomen planten, terwijl ze zich realiseren dat ze nooit in de verkoelende schaduw van die boom zullen zitten.‘

Die dag had ik een klein boompje gepland. Want ik had gesproken met studenten, die ooit psycholoog zullen worden. En hoewel het voor mij te laat is, hoop ik echt dat ze mede door ons gesprek, toekomstige patienten kunnen sparen voor datgene, wat ik heb moeten meemaken.

Eenmaal geland, had ik mijn hoofdtelefoon in het vliegtuig laten liggen. Bijna was ik het toestel uit, toen een stewardess riep tegen de medewerkers die mij terug in mijn rolstoel hielpen: ‚Wacht even! Die jongeman is zijn hoofdtelefoon vergeten!‘

Jongeman?! ;-

Mar 13, 2019

''Viktor, je bent een lampenkamp! En een vieze profiteur!'' Over reacties nav artikel over treinsuicide.

Afgelopen week terug werd ik benaderd door 'Pro Rail'. Samen met 'De Telegraaf' wilde men aandacht besteden aan trein suïcide. En of ik bereid was om te praten over mijn ervaring: eind 1999 ben ik voor een trein gesprongen. Daarbij heb ik mijn beide benen verloren. Sindsdien zit ik in een rolstoel.

In het interview vertelde ik dat ik nu weet, dat ik toen eigenlijk helemaal geen einde aan mijn leven wilde maken. In plaats daarvan wilde ik een einde aan de problemen maken. Maar door de depressie kon ik het verschil niet langer zien.

Een depressie waarvoor ik al vaker bij de (huis)arts was geweest. Sterker nog: ik was ziek geschreven op de dag dat het gebeurde. Kort ervoor had ik van de bedrijfsarts te horen gekregen, dat hij geen reden zag om mijn ziekteverlof te verlengen. Ondanks dat ik had gezegd, dat ik niet meer kon. Dat ik ècht niet meer verder kon. Maar de arts was een andere mening toegedaan: ik was jong en fit. Werken zou mij goed doen.

Ook stond ik op een wachtlijst bij een psychologisch instituut.

Een paar dagen nadat ik mijn benen was verloren, kreeg ik in het ziekenhuis een telefoontje van diezelfde bedrijfsarts: ‚Mijnheer Staudt, wat heb ik nou toch gehoord?‘

En nee: ik was hé-lé-máál niet blij dat ik de poging had overleefd. Hoe kon ik ook? Je wilt dood en dan word je wakker, zonder benen! 

Maar heb ik dan niet aan de machinist gedacht? Nee! Of aan al die passagiers? Ook niet. Is trein suïcide niet vreselijk egoistisch? Dat is het zeker!! Tegelijkertijd durf ik te beweren, dat wanneer je nog aan de machinist kunt denken – je realiseert: ‚Daarboven zit iemand!‘ - dan kun je die stap niet maken. Want op dat moment is er nog een ‚verbinding‘ tussen jou en de wereld om je heen. Je herkent ‚leven‘. Een zware depressie laat die verbinding verdwijnen.

Dit is allemaal geen rechtvaardiging. Hooguit een verklaring waarom mensen hiertoe in staat zijn. Want ik ben natuurlijk niet de enige! En ook niet de enige die zwaar gehavend onder de trein vandaan komt. Maar ik ben wel een van de weinigen, die erover praat. In de hoop dat het daardoor voor anderen iets makkelijker wordt om over hun (psychische) problemen te praten. En op zoek te gaan naar hulp.

Want erover praten is niet makkelijk. Het ontbreekt in onze samenleving behoorlijk aan kennis omtrent psychische aandoeningen. Dat bewijzen de reacties die ik kreeg nav het interview in de krant.

''Springen zit er nou niet meer in''

''Scheelt weer nagels knippen''

''En die heeft nu een aangepaste woning, op onze kosten ...vieze profiteur..''

''Wat een lampenkap!''

''Boeiend!!!!!! Had hij eerder over na moeten denken. weer een machinist met onnodige trauma’s nu huillie huillie doen''

''Je staat nu bij een muur (foto bij artikel is gemaakt voor een muur, red.). Wordt dit poging twee? Heel hard met je rolstoel daar tegen aan rijden. Succes er mee.''

''Nou moeten we medelijden hebben? Kost de maatschappij genoeg, en dan de trauma 's wat hij andere aangedaan heeft.''

Medelijden vraag ik niet. Ik vraag nog niet eens om begrip. Hooguit om aandacht voor psychische aandoeningen – en de gevolgen die deze kunnen hebben, als er geen hulp wordt geboden of gevonden.

Natuurlijk zijn er ook meer positieve reacties: lezers die wel degelijk begrijpen dat je niet ‚zomaar‘ een einde aan je leven tracht te maken.

Opvallend: bij bijna alle positieve reacties blijkt dat het gaat om iemand die ervaring heeft met psychische aandoeningen. Of als direct betroffenen, of als vriend of familielid van iemand die betroffen is, of een einde aan het leven heeft gemaakt.

Dat zou weer betekenen dat bij al die negatieve reacties er sprake is van een gebrek aan bewustwording. Een kwestie van onwetendheid.

Of zoals de reactie van Johan Houben: ''Het gekke is dat ik ooit ook zo dacht. Onwetend! Nadat ik het van dichtbij heb meegemaakt schaam ik mij enorm voor deze gedachtegang.''

Conclusie: ondanks alles (ik ben ook maar een mens!) is het denk ik zinvol geweest, om dit interview te doen. Want misschien zijn er meer mensen die net als Johan zich realiseren, dat er bij suïcide meer aan de hand is dan een 'egoïst, die niet aan anderen denkt'.

Om suïcide te voorkomen - want dat is toch waar we heenwillen - moeten we praten over psychische problemen. Zonder gene. Zonder schaamte. En zonder te worden uitgemaakt voor aansteller of aandachttrekker.

Want alleen door over je problemen te praten, kun je een oplossing vinden.

Jan 20, 2019

Ik houd zo van mijn plekkie

Over keuzes maken, deuren achter je dicht trekken en schepen verbranden.

Na een nacht slecht te hebben geslapen (was het de volle maan?), staat voor mij op tafel een onlangs gekochte beker met daarin koffie uit een apparaat, dat ik pas een week of wat in huis heb. De tafel zelf is ook nieuw. En dat geldt tevens voor de (Ektorp) bank, die naast me staat. Oh ja, de tv tegenover de bank: nieuw. En het tafeltje waarop de tv staat: de plastic beschermstrips zitten er nog aan.

Niet alleen de spullen om mij heen zijn nieuw. Ook de flat waar ik nog geen twee weken geleden ben ingetrokken: ik ben de eerste bewoner. En dat alles midden in het centrum van Warschau.

Warschau?!

Als vandaag een jaar geleden iemand tegen mij had gezegd: 'Viktor, over een jaar woon en leef jij in Warschau!', dan had ik hooguit verbaasd gekeken. Hoe kom je daar nou bij? Wat moet ik in hemelsnaam in Warschau? En wie gaat er nu vrijwillig vanuit een Italiaans dorp, naar Warschau verhuizen?

Ik, dus.

In het kort: dit jaar word ik 50. En hoewel 50 natuurlijk nog piepjong is: het is toch geen 20. En ook geen 30. En ik zit ook nog eens in een rolstoel. Daarmee bedoel ik: als ik onderweg ben en iemand biedt aan om mij te helpen (lees: te duwen), dan zeg ik meestal: 'Nee, dank je. Dat red ik nog wel. Over tien jaar misschien: dan moet ik worden geduwd.'

Iedereen lachen. Maar hoeveel waarheid schuilt er in die 'grap'? De klok tikt!

Na ruim zeven jaar in een Italiaans dorp te hebben gewoond - en met oog op het feit dat ik binnenkort Abraham zie - bedacht ik mij een jaar of wat geleden: als ik nog een keer terug wil naar een 'big city', moet ik dat nù doen. En om een lang verhaal kort te maken: in maart vorig jaar kwam ik per toeval in Warschau terecht. Een mij tot dan toe onbekende stad, waarbij ik mij niets meer voorstelde dan grauw, grijs - en uit de kraan komt alleen koud water. Naïef!

Warschau is een moderne metropool. Met wolkenkrabbers, grote winkelcentra, een volledig (na de oorlog) gereconstrueerde binnenstad. Alles rolstoeltoegankelijk, want nieuw gebouwd. En nog goedkoop ook, naar Westeuropese maatstaven. Bovendien de stad van Frederic Chopin.

En zoals mijn karakter is: meteen doen. Geen tijd te verliezen. Aldus geschiedde.

In tranen (toch nog niet helemaal emotioneel afgestompt, blijkt maar weer) heb ik afscheid genomen van mijn flat in Pianoro. En van de buurvrouw. We konden niet meer praten. Alleen maar huilen.

En nu zit ik hier. Voor wie Warschau kent, ik woon in de Grzybowska buurt. Overal zijn winkels en restaurants. Het gemeentelijke zwembad is om de hoek. Ideaal. Toch?

Op de een of andere manier ben ik altijd een reizend circus geweest. Nooit heb ik mij echt thuis gevoeld, daar waar ik op dat moment woonde. Altijd gedacht aan 'weg gaan'. Wel is het mij overkomen dat ik met een zekere heimwee kon terugdenken aan een plek, waar ik al of niet lange tijd ervoor, de deur achter mij had dichtgetrokken. Definitief. Ik had de keuze gemaakt om te vertrekken. Mijn schepen achter mij verbrand. Net als nu.

'Ik houd zo van mijn plekkie.' schreef vanochtend iemand op Twitter. Daarbij plaatste ze een video van een met sneeuw bedekte aanlegsteiger en een deel van de tuin. Ziet er niet slecht uit. Maar de liefde voor de plek blijkt toch vooral uit de bijgevoegde tekst.

Als ik naar buiten kijk, zie ik een vrij groot, nog leeg balkon. Nu is het nog te koud. Maar in het voorjaar kan ik zeker een keer naar buiten. Misschien moet ik er een tafeltje neer zetten. Kan ik buiten koffie drinken. Of een bak met planten, waar bloemen aan komen.

Gisteren had ik mijn voormalige buurvrouw nog even aan de telefoon.
'Iedereen hier mist je!', riep ze, met de mij niet onbekende Italiaanse emotie. 'En als je terug wilt komen, is er altijd plek voor je!'

Maar voorlopig blijf ik toch maar even hier. Want zoiets heeft tijd nodig. Tot nu toe ziet het er goed uit. En misschien komt er een dag, waarop ik ineens denk: 'Ik houd zo van mijn plekkie.'