Aug 29, 2017

Rape is only uncomfortable at the beginning. Once the **** is inside, the woman will become calm.

Sometimes a newsitem needs to be read at least twice, before you can even start to believe it. It’s that shocking. Like this one.

Italy, Rimini, one of the most popular cities along the adriatic coast. During the early hours on Saturday August 26., two young tourists from Poland are taking a stroll along the beach. Suddenly they get surrounded by 4 young men, originating from Northern Africa. The men first attack the male tourist in a most violent way. Only seconds later they force him to watch while they rape the girl.

Like taken from a horror movie: as the young tourists try to find their way back to the hotel, they encounter a prostitute who is working the street along the beach. They beg her to help them. The woman later reports: ‘I thought I had seen it all, working during the night here at the coastline. But this was the worst by far: both looked like they were beaten to death. Covered in blood, faces swollen. He was only wearing his underwear and she was wearing his clothes*. I immediately called the police.’

*As it turned out, the guy had offered his clothes to his female friend, so she would not have to cross the streets, naked.

Of course, this is on the news constantly, here in Italy. And with the social media, people can comment, as did a certain Abid Jee (24) a law student from Bologna (about an hour by train from Rimini). Abid is also working at a cultural integration institute. He is helping foreigners to settle in Italy/Europe. His comment to the horrible event: ‘Rape is uncomfortable at the beginning. But once the dick is inside, the woman will relax and enjoy the sexual experience as if it was voluntarily.’

And that is not all.
Because of the flood of negative reactions to this comment, Abid Jee adds: ‚They always accuse the immigrants.‘ So far nobody knows what he meant by that. What we do know: he has been suspended by his employer.


The 4 north africans have been arrested. On the same night they attacked another person. This attack got filmed by security cameras.

http://www.ilgiornale.it/sites/default/files/styles/content_foto_node/public/foto/2017/08/28/1503905387-1503901420915.jpg-turista-stuprata-spiaggia-mediatore-culturale-donne.jpg

Verkrachting: als de piemel er eenmaal inzit, wordt de vrouw rustig.

Sommige berichten zijn zo shockerend, dat je ze minstens twee keer moet lezen, voordat je überhaupt begrijpt wat er staat. Een voorbeeld.

Rimini, in de nacht van 25 op 26 augustus jl. Een jong toeristenstel uit Polen (rond de 25 jaar), maakt een wandeling langs het strand. Ze worden overvallen door naar later zal blijken, vier Noordafrikaanse jongemannen (inmiddels is gebleken, dat de verdachten uit Algerije en Tunesie komen). Eerst slaan ze hem kort bewusteloos en daarna dwingen ze hem toe te kijken, hoe ze zijn vriendin verkrachten.

Als in een horror...film: na deze gruwelijke gebeurtenis gaat het stel terug naar het hotel. Beroofd van alles, smeken ze een prostituee die op dat moment langs de promenade staat, om hulp. Later zegt deze vrouw tegen de krant: 'Ik heb hier al heel wat gezien, laat in de nacht, aan het strand in Rimini. Maar dit is wel het ergste wat ik ooit heb meegemaakt. Allebei helemaal in elkaar geslagen, met bebloede en opgezwollen gezichten. Hij alleen gekleed in zijn onderbroek, zij in mannenkleding*. Ik heb meteen de politie en de ambulance gebeld.'

*Later blijkt dat de jongen zijn kleding aan zijn vriendin heeft gegeven, opdat zij niet naakt over straat zou moeten.

Uiteraard komt dit groot in het nieuws. En zoals gebruikelijk kan men erop reagieren (in kranten, op Facebook enz.). Dan schrijft ene Abid Jee, een 24 jarige rechtenstudent uit Bologna en integratie-begeleider voor vluchtelingen/immigranten: 'Een verkrachting is in het begin erg. Maar als de piemel eenmaal in de vrouw is, wordt de vrouw rustig en kan ze van de seks genieten, net als wanneer het vrijwillig gebeurt.'

Overspoeld door reactie's, voegt hij er even later aan toe: 'Altijd krijgen de immigranten de schuld.' Hoe hij dit heeft bedoeld, weten we niet. Zijn arbeidgever heeft hem op non-aktief gesteld.

De daders zijn inmiddels opgepakt. Diezelfde nacht hadden ze nog een transseksuel aangerand. Hier waren duidelijke beelden van beschikbaar (bewakingscamera).

Nov 22, 2016

Suicide voorbij: de vragen die blijven

Op uitnodiging mocht ik afgelopen week vijf avonden achter elkaar mijn verhaal vertellen. Hoe ik ben getroffen door een depressie. Hoe ik een einde aan mijn leven wilde maken. Hoe het nu met mij gaat.

Een bijeenkomst als deze is geen theatervoorstelling. Het publiek komt niet om zich te vermaken. Iedereen heeft zijn eigen verhaal. Of men lijdt zelf aan een psychische aandoening, of heeft een naaste die met dit probleem vecht. Ook zijn er nabestaanden: mensen die een dierbare hebben verloren aan zelfdoding.

Op een van de avonden komt er vlak voordat ik wil beginnen een mevrouw naar mij toe. Ze heeft een kadootje voor me gekocht. Ook is er een kaart bij, waarop lentebloemen staan. Of ik die kaart alsjeblieft wil lezen voordat ik mijn verhaal begin.

'Mijn dochter heeft haar leven beeindigd toen ze 29 jaar jong was. Als mensen het woord zelfmoord gebruiken, wil ik ze bewust maken van de lading die dat woord voor mij als moeder heeft. Het klinkt vreselijk.
Zo crimineel. Terwijl de daad zo intriest, verdrietig en pijnlijk is. Mijn lijf krimpt ineen, telkens weer als ik dat woord hoor.', lees ik.

Na afloop is er tijd voor vragen. Mensen die hopen een antwoord te vinden, waar ze al zo lang naar op zoek zijn. Ik beken dat ik geen antwoord heb. Enkel heb ik mijn ervaring en die van anderen: door de jaren heen heb ik een groot aantal emails ontvangen.

Er zijn twee mannen naar de voordracht gekomen. Ik schat ze ergens midden 40. Ze hebben hun broer verloren, een jaar of tien terug. 'Ik kan niet echt meer plezier hebben.', zegt de een. 'Vroeger ging ik graag dansen, samen met mijn vrouw. Ik dans nog wel. Maar het is niet meer zoals het was.'

Een jonge vrouw, ergens begin 20, staat op. Als ze spreekt, trilt haar stem. Nog maar kort geleden heeft ze haar beste vriendin verloren.
Ze vraagt of ze me even mag vasthouden. We omarmen elkaar ten overstaan van het publiek dat zwijgt.

Een echtpaar, midden 50. Hun zoon heeft een einde aan zijn leven gemaakt, een paar maanden geleden. Diezelfde dag had hij 's-ochtends nog een afspraak op de sportschool. Hij heeft zelfs nog een nieuwe afspraak gemaakt, voor een paar dagen later. Maar hij moet geweten hebben dat hij die afspraak niet na zou komen.
Want diezelfde middag is hij op de fiets gestapt. Hij heeft meer dan 30 kilometer afgelegd. Na aankomst heeft hij zich verdronken. Achteraf is gebleken dat hij een 25 kilo zware steen bij zich had, achterop de fiets.

De moeder vraagt mij, in tranen: 'Waaraan heeft hij gedacht, al die tijd dat hij op de fiets zat?'

Als de avond voorbij is, geeft iedereen mij een hand om mij te bedanken. Maar waarvoor eigenlijk? Ik heb alleen mijn ervaring gedeeld in de hoop dat het voor anderen iets eenvoudiger wordt, om hun verhaal te vertellen. Of het verdriet te delen. Door erover te spreken.

Vlak voordat ze naar huis gaat, komt de jonge vrouw nog even op mij af. 'Iedereen had mij gewaarschuwd om niet te gaan. Het zou te zwaar zijn. Maar ik ben blij dat ik toch ben gekomen. Ik heb nog veel vragen. Helaas is er geen tijd meer. Maar ik voel me wel beter nu. Veel beter.’

Nov 9, 2016

Zelfmoord, zelfdoding of suïcide. Wat is de juiste term?

Regelmatig wordt mij gevraagd waarom ik tijdens mijn voordracht spreek over 'zelfmoord'. Moord is immers een strafbaar feit. Een misdaad. Dat zou betekenen dat iemand die 'zelfmoord pleegt', een moordenaar is. Een misdadiger.

De ervaring heeft geleerd dat met name nabestaanden zich uitermate kunnen storen aan het gebruik van deze term. Het gebeurt zelfs dat mij ronduit wordt verweten, dat ik mensen kwets (!), telkens als ik deze term gebruik. En dat bij herhaaldelijk 'kwetsen', er zelfs een zekere opzet in het spel zou zijn.

Naar ik heb begrepen, bestaat er onder nabestaanden een voorkeur voor de term 'zelfdoding'. Dat zou minder 'zwaar' zijn. En dat terwijl iemand doden, volgens mij ook een misdaad is.

De betekenis van beide termen heb ik opgezocht in 'Van Dale'.

Zelfmoord: het benemen van het eigen leven.
Zelfdoding: zelfmoord.




Als ik naar de emotionele lading van deze begrippen kijk, kan ik me heus wel voorstellen dat juist nabestaanden niet graag willen worden geconfronteerd met de term 'moord', als het om het verlies van een dierbare gaat. Tegelijkertijd is het zo dat 'moord' in de term 'zelf-moord' een andere betekenis heeft, dan wanneer het zelfstandig wordt gebruikt. Een verschijnsel wat vaker voorkomt in een taal.

Mijn voordracht heeft ten doel het bespreekbaar maken van het lijden aan o.a. depressies en het hebben van zelfmoord-, zelfdoding- of suïcidale gedachten. Het idee is dat hierdoor een weg kan worden gevonden om een oplossing te vinden. Natuurlijk geldt dat in eerste plaats voor de betroffene(n) zelf.

Daarnaast hoop ik door het delen van mijn ervaring inzicht te kunnen geven in wat er omgaat in iemand, die overweegt een einde aan zijn leven te maken. Op die manier hoop ik omstanders (familie, vrienden, collega's) een hou-vast te kunnen bieden: wat te doen als iemand in je omgeving is getroffen door bijv. een depressie, of een angststoornis.

Nabestaanden zijn mensen die op zoek zijn naar antwoorden. Niet zelden vertwijfeld of zelfs wanhopig van verdriet, op zoek naar een reden 'waarom'. Laat ik duidelijk zijn: ik heb geen antwoord op die vraag. Ik kan alleen vertellen wat er destijds met mij is gebeurd. Ook hoe het anderen is vergaan, gebaseerd op de reacties die ik sinds het verschijnen van mijn boek heb ontvangen. En misschien dat daar een woord tussenzit, of een gevoel, of een beschrijving van een gebeurtenis, wat een klein beetje kan helpen bij het zoeken naar antwoorden.

Nooit zou ik iemand die de moeite neemt om naar mijn verhaal te luisteren, willen kwetsen. Natuurlijk wil ik graag rekening houden met degene die ik op dat moment tegenover mij heb. Ik kan alleen maar om begrip vragen, als ik het de ene keer gaat over zelfdoding en de andere keer over zelfmoord. Voor mij zijn het nl. twee identieke termen, net als in het woordenboek staat.

Ik bedoel er niets kwaads mee.



Lezingen binnenkort:

Maandag 14.11 Yarden Doetinchem, Nutselaer 4

Dinsdag 15.11 Yarden Epe, Stationsstraat 29

Woensdag 16.11 Yarden Ede, Slingerboslaan 15

Donderdag 17.11 Yarden Beuningen, Schoenaker 12

Vrijdag 18.11 Yarden Diepenveen, Raalterweg 27-29

Toegang gratis. Voor meer info: https://www.yarden.nl/vereniging/agenda.htm

Aug 25, 2016

Uitzending over suïcide, 'Hollandse Zaken' van 24 augustus jl.

In de uitzending van 'Hollandse Zaken' van afgelopen woensdag, ging het over het toenemend aantal gevallen van suïcidepogingen in Nederland. Tijdens de discussie werd vaker een directe verbinding gelegd tussen een gebrek aan 'gelukkig en vrolijk zijn' enerzijds, en het overwegen om een einde aan je leven te maken anderzijds. Dit is onjuist. Mijn mening baseer ik niet alleen op mijn eigen ervaring (in 1999 deed ik een suïcidepoging waarbij ik beide benen ben verloren), maar met name op de talloze reactie's n.a.v. het publiceren van mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord' (Nieuw Amsterdam uitgevers, 2012).

Mensen die bijvoorbeeld een gebroken been hebben of aan een zware griep lijden, zullen niet uitgesproken gelukkig zijn. Toch overwegen ze veelal geen suïcide. Waarom niet? Omdat ze weten dat het gebroken been of de zware griep zullen genezen. De kans dat een aktueel problematische situatie uiteindelijk goed zal aflopen, is groot. Dit gegeven weerhoudt hen ervan om een einde aan hun leven te maken. De Oostenrijkse neuroloog Frankl heeft hierover interessante boeken geschreven.

Zij die wèl suïcide overwegen doen dit, omdat ze gevoelens van eenzaamheid en wanhoop ervaren. Die gevoelens ontstaan omdat het vermoeden rijst, dat de psychische aandoening waaraan men lijdt (depressie, angsttoestanden, psychose e.d.), of tenminste de gevolgen hiervan op het dagelijks funktioneren, nooit meer over zullen gaan. Bijvoorbeeld omdat een therapie zonder succes is gebleken. Of omdat de voorgeschreven medicatie niet helpt. Op dat moment is de stellige overtuiging: 'Het komt nooit meer goed!' Dit in tegenstelling tot een gebroken been of zware griep.

Het bewijs: verreweg de meeste mensen die een suïcide-poging doen, zijn vooraf wel degelijk op zoek geweest naar hulp, om van het psychische probleem af te komen. Daarna pas moet er dus iets zijn misgegaan. Wellicht tijdens verdere begeleiding van de patiënten.

Goede begeleiding nl. kan ervoor zorgen, dat deze gevoelens van eenzaamheid en wanhoop worden weggenomen. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid alsnog hulp aan te nemen. Gevolg is dat de drang naar suïcide minder wordt.

Conclusie: 'niet ziek zijn' (depressie, psychose e.d.) en 'gelukkig zijn', zijn twee verschillende dingen. Ook voor omstanders van betroffenen is het belangrijk om dit verschil goed voor ogen te houden. Zoals de moeder die in de uitzending sprak over de suïcide van haar zoon. Bij herhaling verwarde zij zijn schijnbaar gelukkige bestaan, ondersteund door foto's van een lachende jongeman, met de wanhoop die klonk uit de woorden in zijn afscheidsbrief.

Als mij zou zijn gevraagd om iets te zeggen tegen kijkers die zelfmoord overwegen, had ik geantwoord: 'Je denkt dat je alleen staat met je probleem. En de wanhoop die je voelt, is begrijpelijk. Maar je staat niet alleen. Breek door die eenzaamheid heen. Pak je telefoon of je computer en bel of schrijf ons (bijv. 113online).'

May 21, 2016

Suïcide preventie en de terreur van het Werther effect

‘Onze vrijwilligers hebben in 2015 ruim 257.000 anonieme #gesprekken gevoerd, de meeste over #eenzaamheid’, aldus een tweet van Stichting ‘Sensoor’ op 20 mei jl. In het ergste geval leidt diezelfde eenzaamheid tot een zelfmoordpoging. Ligt daar de sleutel tot succesvolle suïcide preventie?

In 1999 ben ik voor de trein gesprongen. Toen ik wakker werd in het ziekenhuis, waren mijn beide benen geamputeerd. Ruim tien jaar later heb ik hierover een boek geschreven. Sindsdien geef ik lezingen en voordrachten, in binnen- en buitenland. Hierbij vertel ik over een tweede probleem wat zich in veel gevallen voordoet bij mensen die lijden aan een psychisch aandoening: eenzaamheid.

In eerste instantie gaat het hierbij om het niet begrepen worden door de omgeving. ‘Het komt allemaal wel weer goed.’, als oplossing voor een depressie. Of: ‘Maak je niet zo druk.’ als tip tegen een angst- of paniekstoornis. En wanneer na enige tijd blijkt dat deze raad niet het gewenste effect heeft, dan zal het toch wel aan de patiënt zelf liggen. Die moet maar gewoon meer zijn best doen, om over zijn zogenaamde probleem heen te komen. De betroffene blijft achter met een schuldgevoel, niet zelden gevolgd door wanhoop.

Uiteindelijk is het deze wanhoop die ertoe leidt, dat iemand besluit om een einde aan zijn leven te maken. Niet het feitelijke, psychische probleem. Een simpel bewijs hiervoor is dat achteraf veelal blijkt dat de persoon in kwestie voorafgaand aan de suïcidepoging wel degelijk eerst op zoek is gegaan naar hulp. De combinatie van de psychische aandoening samen met de schaamte leidt ertoe dat de scheiding tussen het maken van een einde aan de problemen enerzijds, en aan het leven in zijn geheel anderzijds, vertroebeld.

Op grond van de op deze manier verzamelde ervaring ben ik van mening, dat de preventie moet beginnen op de middelbare school. Veel problemen die uiteindelijk kunnen leiden tot een suïcidepoging, steken in die levensfase voor het eerst de kop op. Maar ook bij afwezigheid van acuut psychisch lijden, kan het bespreekbaar maken ervan op die leeftijd een suïcidepoging in een later stadium voorkomen.

In Nederland – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Italië en Oostenrijk – staan scholen hier veelal afwijzend tegenover. De reden is de angst voor het zogeheten ‘Werther effect’: door te praten over suïcide zou dit op korte termijn tot een toename van het aantal zelfmoorden voeren. Het is jammer dat het ‘Papageno effect’ schijnbaar minder overtuigt. Want wel degelijk is gebleken dat het praten over alternatieven voor het plegen van suïcide (therapie, medicijnen) een afname van het aantal zelfmoorden laat zien. Oftewel: tijdens het gesprek met scholieren dient het overwinnen van de psychische problemen centraal te staan.

Durven te praten over psychische problemen is de eerste stap naar het vinden van een oplossing. Om dit te praten te vergemakkelijken, zijn in Oostenrijk behalve op scholen ook in een aantal ziekenhuizen ervaringsdeskundigen aangesteld. Ze fungeren als een soort brug tussen de patiënt en de arts, die uiteindelijk een diagnose en therapie zal moeten vaststellen.

Hier in Italië is het percentage zelfmoorden bijna de helft lager dan in Nederland. Regelmatig word ik uitgenodigd op een middelbare school. Inmiddels heb ik een paar honderd leerlingen in de leeftijd tussen 16 en 18 jaar voor mij gehad. Er is geen enkele melding binnengekomen van een suïcide onder deze groep. De geslaagde zelfmoord die onlangs plaatsvond op een school waar ik ben geweest, was gepleegd door een leerling die een maand daarvoor van school is gegaan. De directrice van de school, die mij hierover berichtte, schreef dat ze het jammer vond, dat hij niet de kans had gekregen om bij de lezing aanwezig te zijn.

May 17, 2016

Ik ben verslaafd aan porno! Deel II

Naar aanleiding van mijn blogtekst 'Ik ben verslaafd aan porno!' heb ik een groter aantal reactie's gekregen van oprecht bezorgde lezers. Van steunbetuigingen en het schilderen van eigen ervaringen tot aan het aanbod om mij te begeleiden – mocht ik daar prijs op stellen – bij het aanmelden in een afkickkliniek.

Om nu te voorkomen dat mensen denken dat ik de hele dag wild masturberend in mijn rolstoel heen en weer rij, van computerbeeldscherm naar smartphone en van tv naar tablet, driftig scrollend door talloze sex-sites om maar een nieuw hoogtepunt te bereiken, volgt een kleine nuance.

De tekst heb ik geschreven om de discussie te openen over de nadelen van gemakkelijke toegankelijke pornografie. Bij mijzelf heb ik vastgesteld – zoals ik in de blogtekst heb aangegeven – dat er na verloop van tijd een gewenning ontstaat, bij het zien van pornografisch materiaal. En dat er tegelijkertijd een behoefte groeit om verder te zoeken, naar meer stimulerend materiaal. En ook dat het niet zo vanzelfsprekend is als het misschien lijkt, om in plaats hiervan de computer uit te zetten. Om bijvoorbeeld een goed boek te gaan lezen.

Want inderdaad: je stelt een verlangen vast wat je wilt invullen. Omdat het 'leuk' is. Of 'lekker'. Of 'spannend'. En hoever ga je om in die behoefte te voorzien? En welke invloeden heeft het op de rest van je leven? Kun je die behoefte nog controleren? Typische verschijnselen van een verslaving dus. Daarbij gaat het ook nog eens om een verslaving die snel en makkelijk – en veelal gratis – is te onderhouden.

Tegelijkertijd heb ik mij afgevraagd hoe het is om vandaag de dag 16, 17, 18 jaar oud te zijn, met de mogelijkheid om je libido oneindig te voeden? Hoe doe je dat, zonder helemaal door te draaien van geiligheid?

Ondertussen ga ik wel proberen om een jaar lang geen enkel pornografisch materiaal te bekijken. Geen filmpjes, geen blaadjes of wat dan ook. Vandaag is dag 3. En ik moet bekennen dat ik het gisteravond toch wel 'vreemd' vond, dat ik niet even kan kijken, of er nog iets leuks is op de door mij bezochte sites. Saai hoor, gewoon de computer uitzetten en helemaal nuchter naar bed. Dus toch een beetje verslaafd.

Wordt vervolgd!

May 16, 2016

Ik ben verslaafd aan porno!

Zojuist heb ik mijn eerste porno-vrije-24-uur achter de rug. Dit in het kader van een zelf opgelegde ontwenningskuur. Ook al beperkt mijn consumptie van sexfilmpjes zich doorgaans tot één of hooguit twee keer per dag, telkens een paar minuten lang. Ter info: in de meeste gevallen blijft het alleen bij kijken. Maar toch. Steeds vaker betrap ik mij erop niets 'leuks' te kunnen vinden, ondanks het enorme aanbod. Terwijl ik blijf zoeken bekruipt mij een onrustig gevoel: wat als ik geen lekker filmpje kan vinden? Moet ik dan de computer zomaar uitzetten? Of iets anders gaan doen? Nee toch!? Ik geloof dat ik verslaafd ben!

In mijn jeugdjaren bleef de beschikbaarheid van pornografie bij zogenaamde sexblaadjes. Ik herinner mij nog hoe ik als tiener in de boekenwinkel stiekem naar de in het plastic verpakte tijdschriften keek. Meestal stonden ze helemaal bovenaan, keurig in een rijtje naast elkaar. Je kon telkens net een stukje van de cover zien. In die tijd kon het bekijken van alleen al een pornografisch fotootje mijn motor aanzwengelen. Nu moet ik eerst minstens een paar minuten bewegende beelden tot mij nemen, voordat er iets gebeurt. De vraag is: kan ik nog zonder? En hoe slecht is het regelmatig nuttigen van pornografie nou eigenlijk?

Miljoenen mannen en vrouwen (!) kijken regelmatig online naar porno. Daaronder meer dan 95% van alle jongens en 80% van alle meisjes in de leeftijd tussen 16 en 20 jaar (onderzoek University of East London). Het is dus heel eenvoudig om jezelf wijs te maken dat er niets aan de hand is. Iedereen doet het! Maar het kan een ware verslaving worden. Volgens psychiater Doidge ('Sex on the brain', 2014) komt dit omdat bij het zien van pornografie, dopamine vrijkomt. Voor een nieuwe dosis dopamine is een telkens sterkere stimulans nodig. Dat verklaart het zoeken naar 'betere' filmpjes.

Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat je uiteindelijk het vermogen verliest om je te kunnen inleven in een sexuele relatie met een echt mens. Oftewel: na verloop van tijd zou je alleen nog een orgasme kunnen bereiken, met behulp van geregisseerde pornografie. Dat zorgt voor problemen in de slaapkamer (impotentie). En niet zo'n beetje ook. Want als we het onderzoek van Jill Manning* mogen geloven, is minstens de helft van het aantal echtscheidingen in de USA hieraan te wijten. (*Senate Testimony, November 10, 2005, referencing: J. Dedmon, ''Is the Internet Bad for Your Marriage?'').

Maar ook als je single bent, is je tegoed doen aan online porno niet zonder risico. Volgens een recent onderzoek van het Max Planck instituut in Berlijn kunnen je hersenen krimpen, als je vaak naar porno kijkt! Daarbij gaat het om dat deel van de hersenen (striatum) dat je motiveert om in beweging te komen. Tegelijkertijd wordt het overgebleven deel ook nog eens minder actief, naarmate er meer porno wordt bekeken.

En dan hebben we het nog niet gehad over hoe pornofilmpjes steeds grover worden. Want een schaars geklede man of vrouw doet ons nauwelijks meer iets. Die zien we tegenwoordig ook in de tv reclame voorbijkomen. Of wat te denken van alle tijd die deze hobby opslokt? Of het schuldgevoel wat opduikt, elke keer als je toch weer even stiekem hebt gekeken? Dat laatste schijnt ertoe te leiden dat meer mensen de weg naar God vinden. Dat beweert althans een onderzoek uit 'The Journal of Sex Research' (april 2016).

Voorlopig ben ik van plan om een jaar lang geen porno te kijken. En dan eens zien hoe ik mij voel. Nu moet ik ineens denken aan acteur Thijs Römer die onlangs in een interview met 'Volkskrant Magazin' vertelde dat hij het leven bij vlagen maar allejezus saai vindt, nu hij niet meer drinkt. En hoe hij, na een geplande hiatus van 2 jaar, bang is om zich in aansluiting daarop binnen een week dood te drinken. Hoe zal het mij vergaan, als ik na een jaar onthouding, weer ga kijken?

Zie ook deel II.

Apr 8, 2016

'Flikker op met je kut-rolstoel!' Deel II

Voor deel I, klik hier.

Politie is op het centraal station van Stuttgart niet snel te vinden. Wel medewerkers van de 'Deutsche Bahn', de Duitse spoorwegen. In uniform lijken ze van veraf op politie. Ze lopen rond om de orde te handhaven. Ik spreek hen aan en vertel over het probleem met de taxi chauffeurs.
'Daarvoor zijn wij niet verantwoordelijk.', klinkt het. 'Wij gaan alleen over wat er in het station gebeurt.'

Opnieuw ga ik naar buiten. Op dat moment komt er een politiebusje aanrijden.
'Wat een geluk!', denk ik.

Terwijl een van de agenten (ergens begin 20) uitstapt, zeg ik tegen hem: 'Ik heb uw hulp nodig!'
De jongeman kijkt terughoudend.
Als ik hem vertel dat een taxichauffeur mij niet wil meenemen, haalt hij zijn schouders op.
'Dat hoeft hij ook niet. Een taxi is net als iedere andere zelfstandige winkel. Niet iedereen die binnenkomt moet geholpen worden.'
Ik moet bekennen, dat dit nieuws is. Tot nu toe was ik ervan overtuigd dat een taxichauffeur geen passagiers mag weigeren. Tenzij ze dronken zijn. Of agressief.

De agent loopt met mij mee naar de taxi standplaats. Daar vraagt hij hardop of iemand de beleefdheid heeft om mij mee te nemen. Een aantal chauffeurs meldt zich. Een paar minuten later zit ik in de taxi. De chaufffeur - die ik nog niet eerder heb gezien - wil weten wat er aan de hand was. Ik doe verslag.
'Het is allemaal niet meer zoals het vroeger was.', luidt zijn kommentaar.

De volgende ochtend besluit ik om met de U-Bahn (metro) terug naar het centraal station te gaan. Mijn buik vol van taxi's, heb ik op de 'Marienplatz' de keuze uit twee metrolijnen. Omdat ik niet weet welke richting ik moet hebben om op het centraal station uit te komen, vraag ik dit aan een oudere man die voorbijloopt. Als ik even later in de U-Bahn onderweg ben, informeer ik of deze naar het centraal station rijdt. Dat blijkt niet het geval te zijn. Bij het eerstvolgende station stap ik uit. Daarna stap ik opnieuw in. Maar dit keer in de goede richting.

Korte tijd later kom ik aan op het centraal station. Ik volg het bordje naar de lift. Maar de lift is buiten gebruik. Tenminste, dat lees ik op een bordje dat ernaast staat. Ik druk op een van de knopjes. Misschien werkt de lift ondertussen weer. Je weet maar nooit. Tegelijkertijd speelt door mijn hoofd de vraag, hoe ik vanuit het metrostation in de hal van het treinstation kom, als de lift het echt niet doet? De lift werkt. Dat wil zeggen, ik zie hem in de glazen schacht omhoog en omlaag gaan. Maar de deuren gaan niet open. Direkt naast de deuren hangt een sticker met daarop een telefoonnummer in geval van nood. Ik bel het nummer en zeg dat ik in een rolstoel zit. En dat het lift het niet doet. En of er misschien nog een andere lift is.
'Nee, die is er niet.', antwoordt de man aan de andere kant. 'Kunt u niet met de trap?'
Ik leg uit dat ik geen benen heb.
'Het enige wat ik u kan aanbieden is, dat u met de metro naar het volgende station rijdt. Daar stapt u uit. En dan neemt u de metro terug naar het centraal station. Aan de andere kant van het perron werkt de lift wel.'

Hoewel met de nodige tegenzin, besef ik dat er niet veel anders op zit. Even later kom ik aan bij het volgende station. Wat blijkt? Hier is helemaal geen lift. Nog een station verder dan. Hier is wel een lift. En die doet het ook nog. Een paar minuten later komt er een metro aanrijden, terug richting centraal station. Maar dit keer is de afstand tussen het perron en de wagon wel erg groot. Dat ga ik niet in mijn eentje redden. Geen probleem, denk ik. Want ik weet dat op elk metrostations waar een lift is, de bestuurder altijd een (rij)plank bij zich heeft.

Ik klop tegen het raampje, vooraan de metro. De bestuurder opent het raampje en vraagt wat er aan de hand is. Ik zeg dat ik de rijplank nodig heb om in te kunnen stappen.
'Die kan ik niet uitleggen vandaag. Ik heb pijn in mijn rug.', antwoordt hij doodleuk.
Ik ben verbaasd. Waarom rijdt deze man op deze lijn, als hij niet in staat is om zijn werk te doen? Het helpen van rolstoelrijders (en andere minder validen) bij het in- en uitstappen is namelijk onderdeel van zijn taak.
'Wacht maar op de volgende metro. Of vraag iemand anders!', roept de man, waarna hij het raampje dichtdoet.
Ik voel mij verlaten. En een tikje wanhopig. Al is het alleen maar omdat ik weet dat ik een trein moet halen om op tijd in Baden-Baden aan te komen voor de opname van het interview. Wachten op een volgende metro – hoe snel die ook zou arriveren – wil ik niet.

Op dat moment komt er een aantal passagiers naar mij toe. Zij hebben het gesprek tussen mij en de bestuurder gehoord. Ze vragen mij hoe ze mij kunnen helpen. Ik leg uit wie mijn rolstoel waar moet vastpakken. Ik zie hoe wildvreemden in al hun hulpbereidheid, links en rechts mijn rolstoel oppakken. En om te voorkomen dat ik straks ineens ondersteboven kom te hangen... Maar het komt goed. Even later zit ik in de metro.

Op het centraal station kan ik eindelijk met de lift naar boven. Als ik bij het loket van de 'Deutsche Bahn' aankom, is mijn trein net drie minuten daarvoor vertrokken. Ik leg uit dat ik te laat ben, omdat de lift in het metrostation niet werkt. Ik vraag of ik met een volgende trein meemag. Maar mijn kaartje is alleen geldig voor de trein die net weg is.
'Dat de lift niet werkt, is niet onze schuld.', antwoordt de man achter het loket. 'Voor de lift is de gemeente Stuttgart verantwoordelijk.'
Ik zeg dat ik dat begrijp. Ondertussen laat ik op mijn telefoon de foto zien die ik heb gemaakt van het bordje bij de lift, waarop staat dat deze niet werkt. De medewerker kijkt er langdurig naar. Nog met mijn telefoon in zijn handen, belt hij met een collega. Na een kort gesprek heeft hij goed nieuws: ik mag mee met de volgende trein, zonder bijbetaling.




Een uurtje later is het zover. In de tussentijd heb ik de SWR in Baden-Baden geinformeerd over mijn vertraging. De DB medewerker helpt mij aan boord van de trein.
'Tegen de conducteur heb ik gezegd, dat u met een kaartje voor de vorige trein aan boord zit. En dat dat ok is.'
Ik bedank de man voor zijn hulp. Hij zegt dat hij dat graag heeft gedaan. Hoewel het aan het begin wat stroef verliep allemaal, geloof ik dat hij meent wat hij zegt.

Als tien minuten later de conducteur langskomt, laat ik hem mijn kaartje zien.
'Dat is niet geldig in deze trein.', zegt hij plompverloren. Tegelijkertijd haalt hij zijn bonnen-boekje tevoorschijn.
Ik zucht diep.
'Maar ik was te laat in Stuttgart, want de lift deed het niet en...', leg ik uit. 'En op het station hebben ze mij gezegd, dat ze u zouden informeren!'
De man, die ik rond de dertig schat, schudt zijn hoofd.
'Ik weet van niets.', zegt hij. 'U moet het verschil bijbetalen. Plus een boete. Achteraf kunt u via een aangetekende brief een klacht indienen.'
Opnieuw slaak ik een diepe zucht.
Dan zeg ik: 'Ik betaal helemaal niets. U kunt mij bij het volgende station eruit zetten. Dan bel ik de 'Bild Zeitung', de 'Stuttgarter Zeitung' en de SWR redactie. Overigens ben ik onderweg naar de SWR. En dan ga ik utigebreid vertellen over de schandalige manier waarop ik word behandeld.'
Tegelijkertijd laat ik hem de 'ausser Betrieb' foto op mijn telefoon zien.
Mijn korte maar krachtige uiteenzetting schijnt effect te hebben. De conducteur zegt dat hij het voor deze keer door de vingers ziet. Maar niet zonder erbij te vermelden, dat hij mij de volgende keer wel degelijk een boete zal geven.
Hoofdschuddend stop ik mijn kaartje en telefoon in mijn tas. Op dat moment hoor ik de stem van een vrouw, die aan de overkant van het gangpad zit.
'Bent u Viktor Staudt?'
Als ik opkijk zie ik het vriendelijke gezicht van een jonge vrouw. Ze laat mij haar tablet zien waarop een website met daarop het cover van mijn boek.
'Ik dacht al dat u het was, toen ik u binnen zag komen. Maar ik wist het niet zeker. Daarom heb ik u even gegoogled.'

In Karlsruhe moet ik overstappen. Het is een moderne, regionale trein. Vooraan is een instapmogelijkheid gebouwd voor rolstoelrijders. De conducteur hoeft alleen maar een sleutel in een contact te steken en om te draaien. Daarna schuift er automatisch een plank vanuit de wagon iets omhoog en dan het perron op. Op die manier kan elke rolstoelrijder zonder problemen naar binnen rijden. En weer naar buiten.
Als ik aankom bij de bewuste wagon is de plank nog niet uitgeschoven. De conducteur roept mij tegemoet: 'Die rolstoel krijgen we er zo ook wel in!'
Ik vermoed dat hij daarmee wil zeggen: ik heb geen zin om die plank uit te klappen. Ik pak de achterkant van uw stoel wel beet en sleur u zo de trein in. Dat daardoor mijn banden een oplazer krijgen – en eventueel zelfs kapot kunnen gaan – is blijkbaar niet van belang.

Lang hoef ik over zijn voorstel niet na te denken. Nog volop in beweging en voordat ik goed en wel voor de wagon sta, antwoord ik: 'Absoluut niet. Ik wil die plank gebruiken. Die is er voor gemaakt.' Zwijgend en met een verergerd gezicht, zie ik de conducteur naar zijn sleutelbos grijpen. Een paar minuten later vertrekt de trein naar Baden-Baden.

Als ik een blik werp op mijn telefoon, zie ik dat ik een mailtje van de 'Deutsche Bahn' heb gekregen. 'De door u aangevraagde treinverbinding morgen, van Baden-Baden naar Stuttgart luchthaven, is komen te vervallen. Wij vragen u dringend contact met ons op te nemen.'
Het telefoonnummer wat volgt, kan ik niet bellen. Ik heb een Italiaanse telefoon. Weliswaar met 'roaming'. Maar dat geldt weer niet voor servicenummers zoals die van de 'Deutsche Bahn'.

Op het station Baden-Baden staat de chauffeur van de SWR al op mij te wachten. Gelukkig heb ik onderweg kunnen doorgeven, dat ik vertraging had. Gevolg is wel dat we nu moeten opschieten. Maar ik moet toch echt eerst naar het loket van de 'Deutsche Bahn'. Anders heb ik morgen geen trein terug naar de luchthaven!

Eenmaal aan de beurt belt de vriendelijke dame met haar collega van de mobiliteitscentrale: de afdeling die alles regelt voor treinpassagiers in een rolstoel (of met rollator). Het gesprek duurt ruim vijf minunten. Een gevoelde eeuwigheid. Ik zie de chauffeur van de SWR buiten op de parkeerplaats voor het station naast zijn auto staan. Hij kijkt naar mij. Ik probeer door middel van gebaren duidelijk te maken dat ik er niets aan kan doen. En dat ik mijn best doe om op te schieten.

Dan hangt de vriendelijke DB-medewerkster op. Ik kijk haar aan. Ik hoop dat ze goed nieuws voor mij heeft.
'Mijn collega heeft u een email gestuurd.', zegt ze.
Ik kijk direct op mijn telefoon. Maar ik heb geen email gehad. Behalve dan de email waarin staat dat ik contact moet opnemen met de DB.
'Nee. Mijn collega heeft u daarna nog een mail gestuurd.', beweert ze.
Ik kijk nog een keer. Maar ook dit keer zie ik geen email van de mobiliteitscentrale.
'Kunt u mij zeggen misschien, wat er in de mail staat?', vraag ik.
Ondertussen beginnen de eerste zweetdruppeltjes zich op mijn voorhoofd af te tekenen.
Er zouden die dag nog vele volgen.
De dame kijkt mij aan en zegt: 'Nee. Dat weet ik niet.'

Langzaam begint een wanhoop zich van mij meester te maken. Wat moet ik nu? Ik kan niet weg voordat ik weet, hoe ik morgen terug naar Stuttgart Flughafen kan komen. Het vliegtuig vertrekt om 19:20 uur. Het moet toch mogelijk zijn om uiterlijk twee uur ervoor in Stuttgart aan te komen? Wat er nog bijkomt: ik weet dat de mobiliteitscentrale om 22:00 uur sluit. De assistentie moet ik een dag van te voren aanvragen. En vanavond heb ik geen tijd meer. Want dan ben ik in de studio van de SWR. Het is dus nu of nooit.
'Kunt u alstublieft nog een keer bellen met uw collega?', vraag ik aan de mederwerkster achter het loket.
Dat doet ze zonder enig protest. Daarna geeft ze de telefoon aan mij.
'Het is misschien beter als u direct zelf met de mobiliteitscentrale spreekt. Om alles te regelen.'
Dat lijkt mij een uitstekend plan. Het kost tijd, maar uiteindelijk komt alles voor elkaar. Ik heb een treinresevering voor morgen, van Baden-Baden naar de luchthaven van Stuttgart.

'De rit naar het hotel zal iets langer duren dan gebruikelijk.', zegt de chauffeur. 'Dat komt omdat er wordt gebouwd in Baden-Baden. En een omweg is er niet. Daar staat ook alles vast.'
Ik kijk op de klok en zie dat ik nog twintig minuten de tijd heb, voordat ik in de studio moet zijn.
'Ik wil alleen graag nog even douchen, mijn tanden poetsen en mij scheren. En dan ben ik klaar.', mompel ik.
De chauffeur zegt dat dat geen probleem is. Hij kan mij zelfs nog tien minuten langer geven. Wat een opluchting!

Eenmaal in de kamer van het 5-sterren (!) hotel, duik ik meteen de badkamer in. De douche is 'drempelvrij'. Maar er staat geen plastik stoel onder. En er hangt ook geen zitje aan de wand, wat je kunt omklappen. Detail: dit klapstoeltje heeft er zeer waarschijnlijk ooit wel gezeten. De dichtgestopte pluggen zijn nog zichtbaar. Ik bel naar de receptie en vraag om 'een-stoel-voor-onder-de-douche'.

Even later klopt er iemand aan de deur van mijn kamer. Daar staat een medewerker van het hotel met in zijn handen een groot uitgevallen wijnkoeler.
'Ik kon zo snel niets anders vinden.', zegt hij verontschuldigend. 'Maar dit kan misschien ook?'
Omdat ik weet dat de tijd dringt, neem ik de 'wijnkoeler' aan. De deur sla ik dicht. De koeler zet ik op de grond. Want daar heb ik natuurlijk helemaal niets aan.

Uiteindelijk ga ik onder de douche op de vloer zitten. Het huilen staat mij nader dan het lachen. Ik overweeg om de opnamen van vanavond af te zeggen. Maar ik weet dat de mensen die op mij wachten in de studio, hier ook niets aan kunnen doen. Afzeggen maakt het alleen nog maar erger. Een klein kwartier later ben ik beneden in de hal van het hotel. Fris gedoucht en geschoren. En mijn tanden heb ik ook nog gepoetst.

De volgende ochtend word ik op het station van Baden-Baden door een medwerkerster naar het juiste perron begeleid voor de trein naar Karlsruhe. Omdat de lift aan het einde van het perron is, moeten we helemaal heen en weer lopen. Euh... rijden.
Als we uiteindelijk zijn aangekomen, gaat haar telefoon. Nadat ze heeft opgelegd kijkt ze mij aan.
'Het spijt me.', zegt ze. 'Maar de trein komt op het andere perron aan. We moeten weer terug.'
Even grijpt mij de angst bij de keel. Het zal vandaag toch niet een herhaling worden van gisteren? Hoe sterk is die wet van Murphy eigenlijk?

In Karlsruhe kan ik probleemloos overstappen. Eenmaal in de juiste wagon aangekomen, wil ik mijn tas op de grond zetten. Dan zie ik ineens die vriendelijke jongedame die gisteren ook bij mij in de trein zat.
'Hoe is het mogelijk?!', roepen we bijna tegelijkertijd uit.
De rit naar Stuttgart verloopt soepel. We praten aan een stuk door. We blijken elkaar een hoop te vertellen te hebben. Als ik in Stuttgart uitstap, geef ik haar mijn email adres. En een paar dagen later stuurt ze mij een berichtje. Een nieuwe vriendschap is geboren.

Apr 6, 2016

'Flikker op met je kut-rolstoel!' Deel I

Dat het nog weleens wil ontbreken aan bewustwording wanneer het gaat om de gehandicapte medemens, is bekend. De manier waarop ik als rolstoelrijder hier onlangs mee werd geconfronteerd, is op z'n minst verfrissend te noemen.

Vorige week woensdagavond belandde ik kort voor middernacht op het centraal station van Stuttgart. Ik was onderweg voor de opname van een tv interview. Voor het station stond een reeks taxi's. Met zojuist twee korte vluchten en een treinreis achter de rug, besluit ik voor de laatste kilometers naar het hotel, mijzelf een taxi te gunnen.

Met een vermoeide maar vriendelijke blik vraag ik aan de chauffeur van de eerste wagen vooraan in de rij, of hij mij naar de 'Marienplatz' kan brengen. De man, waarvan ik op grond van zijn manier van spreken vermoed dat hij een, zoals ze dat in Duitsland noemen, immigratie-achtergrond heeft, antwoordt: 'Rolstoel gaat niet.'

Het is niet de eerste keer is dat een taxichauffeur mij als rolstoelrijder botweg weigert mee te nemen. Zonder mij over zijn antwoord op te winden, leg ik kort en duidelijk uit dat ik mijn rolstoel heel klein kan maken (de wielen kunnen eraf, de rugleuning naar voren). Op die manier moet het toch mogelijk zijn om mij mee te nemen. Maar de chauffeur, die ik ergens rond de 30 schat, volhardt.
'Niet met rolstoel. Ga maar naar collega met grote auto!'

Ik haal mijn schouders op en besluit mij er niet over op te winden. Het late tijdstip helpt mee. Ik ben moe en wil alleen nog maar naar mijn bed toe.

De collega-met-grote-auto (combi) staat een paar wagens verderop. Als ik aan hem vraag of hij mij naar de 'Marienplatz' wil brengen, vraagt de oudere man met een onvervalst locaal accent waarom zijn andere collega, die vooraan in de rij staat, dit niet doet.
'Hij zegt dat mijn rolstoel niet meekan.', antwoord ik. 'Hoewel ik heb hem verteld dat dat geen probleem is.'
Vervolgens leg ik opnieuw uit, hoe mijn rolstoel in werkelijk de kleinste Mini ter wereld kan worden meegenomen.
Daarna loopt de oudere man voren. Een discussie tussen beide chauffeurs volgt. Ondertussen ben ik erbij komen staan.
'Rolstoel niet mee. Vanochtend ik problemen met rolstoel.', oppert de eerste chauffeur.

Dan vraagt de oudere chauffeur of ik nog een keer aan zijn jongere collega wil uitleggen, hoe hij mijn rolstoel wèl kan meenemen. Hoewel met groeiende ergernis en een ietswat verhoogde hartslag, voldoe ik aan dit verzoek. Maar heb ik net voor de derde keer uitgelegd hoe ik de wielen van de stoel kan halen en de rugleuning naar voren klappen, vraagt de onwillige chauffeur: 'Rolstoel samenklappen?'

Omdat ik ook maar een mens ben - en omdat het een lange dag is geweest - roep ik uit: 'Nee idioot! Ik heb al drie keer gezegd: ik kan de wielen eraf halen en de rugleuning naar voren klappen!'
Als door een adder gebeten doet de chauffeur een stap naar achteren en roept dat hij aggresieve klanten niet meeneemt!
Ik kijk om mij heen. Waarschijnlijk hoop ik dat een van de andere chauffeurs mij te hulp schiet. Maar tevergeefs. Ze staan erbij en kijken ernaar.
Ik roep dat ik het schandalig vind dat niemand mij wil meenemen. Nog steeds zonder enige reactie van de dienstverleners, kondig ik aan, dat ik de politie erbij ga halen. Als ik mij omdraai om opnieuw het stationsgebouw binnen te rijden, op zoek naar de Polizei, hoor ik de chauffeur van de eerste wagen roepen: 'Flikker op met je kut-rolstoel!'

Wordt vervolgd.

Voor deel II, klik hier.