Apr 8, 2016

'Flikker op met je kut-rolstoel!' Deel II

Voor deel I, klik hier.

Politie is op het centraal station van Stuttgart niet snel te vinden. Wel medewerkers van de 'Deutsche Bahn', de Duitse spoorwegen. In uniform lijken ze van veraf op politie. Ze lopen rond om de orde te handhaven. Ik spreek hen aan en vertel over het probleem met de taxi chauffeurs.
'Daarvoor zijn wij niet verantwoordelijk.', klinkt het. 'Wij gaan alleen over wat er in het station gebeurt.'

Opnieuw ga ik naar buiten. Op dat moment komt er een politiebusje aanrijden.
'Wat een geluk!', denk ik.

Terwijl een van de agenten (ergens begin 20) uitstapt, zeg ik tegen hem: 'Ik heb uw hulp nodig!'
De jongeman kijkt terughoudend.
Als ik hem vertel dat een taxichauffeur mij niet wil meenemen, haalt hij zijn schouders op.
'Dat hoeft hij ook niet. Een taxi is net als iedere andere zelfstandige winkel. Niet iedereen die binnenkomt moet geholpen worden.'
Ik moet bekennen, dat dit nieuws is. Tot nu toe was ik ervan overtuigd dat een taxichauffeur geen passagiers mag weigeren. Tenzij ze dronken zijn. Of agressief.

De agent loopt met mij mee naar de taxi standplaats. Daar vraagt hij hardop of iemand de beleefdheid heeft om mij mee te nemen. Een aantal chauffeurs meldt zich. Een paar minuten later zit ik in de taxi. De chaufffeur - die ik nog niet eerder heb gezien - wil weten wat er aan de hand was. Ik doe verslag.
'Het is allemaal niet meer zoals het vroeger was.', luidt zijn kommentaar.

De volgende ochtend besluit ik om met de U-Bahn (metro) terug naar het centraal station te gaan. Mijn buik vol van taxi's, heb ik op de 'Marienplatz' de keuze uit twee metrolijnen. Omdat ik niet weet welke richting ik moet hebben om op het centraal station uit te komen, vraag ik dit aan een oudere man die voorbijloopt. Als ik even later in de U-Bahn onderweg ben, informeer ik of deze naar het centraal station rijdt. Dat blijkt niet het geval te zijn. Bij het eerstvolgende station stap ik uit. Daarna stap ik opnieuw in. Maar dit keer in de goede richting.

Korte tijd later kom ik aan op het centraal station. Ik volg het bordje naar de lift. Maar de lift is buiten gebruik. Tenminste, dat lees ik op een bordje dat ernaast staat. Ik druk op een van de knopjes. Misschien werkt de lift ondertussen weer. Je weet maar nooit. Tegelijkertijd speelt door mijn hoofd de vraag, hoe ik vanuit het metrostation in de hal van het treinstation kom, als de lift het echt niet doet? De lift werkt. Dat wil zeggen, ik zie hem in de glazen schacht omhoog en omlaag gaan. Maar de deuren gaan niet open. Direkt naast de deuren hangt een sticker met daarop een telefoonnummer in geval van nood. Ik bel het nummer en zeg dat ik in een rolstoel zit. En dat het lift het niet doet. En of er misschien nog een andere lift is.
'Nee, die is er niet.', antwoordt de man aan de andere kant. 'Kunt u niet met de trap?'
Ik leg uit dat ik geen benen heb.
'Het enige wat ik u kan aanbieden is, dat u met de metro naar het volgende station rijdt. Daar stapt u uit. En dan neemt u de metro terug naar het centraal station. Aan de andere kant van het perron werkt de lift wel.'

Hoewel met de nodige tegenzin, besef ik dat er niet veel anders op zit. Even later kom ik aan bij het volgende station. Wat blijkt? Hier is helemaal geen lift. Nog een station verder dan. Hier is wel een lift. En die doet het ook nog. Een paar minuten later komt er een metro aanrijden, terug richting centraal station. Maar dit keer is de afstand tussen het perron en de wagon wel erg groot. Dat ga ik niet in mijn eentje redden. Geen probleem, denk ik. Want ik weet dat op elk metrostations waar een lift is, de bestuurder altijd een (rij)plank bij zich heeft.

Ik klop tegen het raampje, vooraan de metro. De bestuurder opent het raampje en vraagt wat er aan de hand is. Ik zeg dat ik de rijplank nodig heb om in te kunnen stappen.
'Die kan ik niet uitleggen vandaag. Ik heb pijn in mijn rug.', antwoordt hij doodleuk.
Ik ben verbaasd. Waarom rijdt deze man op deze lijn, als hij niet in staat is om zijn werk te doen? Het helpen van rolstoelrijders (en andere minder validen) bij het in- en uitstappen is namelijk onderdeel van zijn taak.
'Wacht maar op de volgende metro. Of vraag iemand anders!', roept de man, waarna hij het raampje dichtdoet.
Ik voel mij verlaten. En een tikje wanhopig. Al is het alleen maar omdat ik weet dat ik een trein moet halen om op tijd in Baden-Baden aan te komen voor de opname van het interview. Wachten op een volgende metro – hoe snel die ook zou arriveren – wil ik niet.

Op dat moment komt er een aantal passagiers naar mij toe. Zij hebben het gesprek tussen mij en de bestuurder gehoord. Ze vragen mij hoe ze mij kunnen helpen. Ik leg uit wie mijn rolstoel waar moet vastpakken. Ik zie hoe wildvreemden in al hun hulpbereidheid, links en rechts mijn rolstoel oppakken. En om te voorkomen dat ik straks ineens ondersteboven kom te hangen... Maar het komt goed. Even later zit ik in de metro.

Op het centraal station kan ik eindelijk met de lift naar boven. Als ik bij het loket van de 'Deutsche Bahn' aankom, is mijn trein net drie minuten daarvoor vertrokken. Ik leg uit dat ik te laat ben, omdat de lift in het metrostation niet werkt. Ik vraag of ik met een volgende trein meemag. Maar mijn kaartje is alleen geldig voor de trein die net weg is.
'Dat de lift niet werkt, is niet onze schuld.', antwoordt de man achter het loket. 'Voor de lift is de gemeente Stuttgart verantwoordelijk.'
Ik zeg dat ik dat begrijp. Ondertussen laat ik op mijn telefoon de foto zien die ik heb gemaakt van het bordje bij de lift, waarop staat dat deze niet werkt. De medewerker kijkt er langdurig naar. Nog met mijn telefoon in zijn handen, belt hij met een collega. Na een kort gesprek heeft hij goed nieuws: ik mag mee met de volgende trein, zonder bijbetaling.




Een uurtje later is het zover. In de tussentijd heb ik de SWR in Baden-Baden geinformeerd over mijn vertraging. De DB medewerker helpt mij aan boord van de trein.
'Tegen de conducteur heb ik gezegd, dat u met een kaartje voor de vorige trein aan boord zit. En dat dat ok is.'
Ik bedank de man voor zijn hulp. Hij zegt dat hij dat graag heeft gedaan. Hoewel het aan het begin wat stroef verliep allemaal, geloof ik dat hij meent wat hij zegt.

Als tien minuten later de conducteur langskomt, laat ik hem mijn kaartje zien.
'Dat is niet geldig in deze trein.', zegt hij plompverloren. Tegelijkertijd haalt hij zijn bonnen-boekje tevoorschijn.
Ik zucht diep.
'Maar ik was te laat in Stuttgart, want de lift deed het niet en...', leg ik uit. 'En op het station hebben ze mij gezegd, dat ze u zouden informeren!'
De man, die ik rond de dertig schat, schudt zijn hoofd.
'Ik weet van niets.', zegt hij. 'U moet het verschil bijbetalen. Plus een boete. Achteraf kunt u via een aangetekende brief een klacht indienen.'
Opnieuw slaak ik een diepe zucht.
Dan zeg ik: 'Ik betaal helemaal niets. U kunt mij bij het volgende station eruit zetten. Dan bel ik de 'Bild Zeitung', de 'Stuttgarter Zeitung' en de SWR redactie. Overigens ben ik onderweg naar de SWR. En dan ga ik utigebreid vertellen over de schandalige manier waarop ik word behandeld.'
Tegelijkertijd laat ik hem de 'ausser Betrieb' foto op mijn telefoon zien.
Mijn korte maar krachtige uiteenzetting schijnt effect te hebben. De conducteur zegt dat hij het voor deze keer door de vingers ziet. Maar niet zonder erbij te vermelden, dat hij mij de volgende keer wel degelijk een boete zal geven.
Hoofdschuddend stop ik mijn kaartje en telefoon in mijn tas. Op dat moment hoor ik de stem van een vrouw, die aan de overkant van het gangpad zit.
'Bent u Viktor Staudt?'
Als ik opkijk zie ik het vriendelijke gezicht van een jonge vrouw. Ze laat mij haar tablet zien waarop een website met daarop het cover van mijn boek.
'Ik dacht al dat u het was, toen ik u binnen zag komen. Maar ik wist het niet zeker. Daarom heb ik u even gegoogled.'

In Karlsruhe moet ik overstappen. Het is een moderne, regionale trein. Vooraan is een instapmogelijkheid gebouwd voor rolstoelrijders. De conducteur hoeft alleen maar een sleutel in een contact te steken en om te draaien. Daarna schuift er automatisch een plank vanuit de wagon iets omhoog en dan het perron op. Op die manier kan elke rolstoelrijder zonder problemen naar binnen rijden. En weer naar buiten.
Als ik aankom bij de bewuste wagon is de plank nog niet uitgeschoven. De conducteur roept mij tegemoet: 'Die rolstoel krijgen we er zo ook wel in!'
Ik vermoed dat hij daarmee wil zeggen: ik heb geen zin om die plank uit te klappen. Ik pak de achterkant van uw stoel wel beet en sleur u zo de trein in. Dat daardoor mijn banden een oplazer krijgen – en eventueel zelfs kapot kunnen gaan – is blijkbaar niet van belang.

Lang hoef ik over zijn voorstel niet na te denken. Nog volop in beweging en voordat ik goed en wel voor de wagon sta, antwoord ik: 'Absoluut niet. Ik wil die plank gebruiken. Die is er voor gemaakt.' Zwijgend en met een verergerd gezicht, zie ik de conducteur naar zijn sleutelbos grijpen. Een paar minuten later vertrekt de trein naar Baden-Baden.

Als ik een blik werp op mijn telefoon, zie ik dat ik een mailtje van de 'Deutsche Bahn' heb gekregen. 'De door u aangevraagde treinverbinding morgen, van Baden-Baden naar Stuttgart luchthaven, is komen te vervallen. Wij vragen u dringend contact met ons op te nemen.'
Het telefoonnummer wat volgt, kan ik niet bellen. Ik heb een Italiaanse telefoon. Weliswaar met 'roaming'. Maar dat geldt weer niet voor servicenummers zoals die van de 'Deutsche Bahn'.

Op het station Baden-Baden staat de chauffeur van de SWR al op mij te wachten. Gelukkig heb ik onderweg kunnen doorgeven, dat ik vertraging had. Gevolg is wel dat we nu moeten opschieten. Maar ik moet toch echt eerst naar het loket van de 'Deutsche Bahn'. Anders heb ik morgen geen trein terug naar de luchthaven!

Eenmaal aan de beurt belt de vriendelijke dame met haar collega van de mobiliteitscentrale: de afdeling die alles regelt voor treinpassagiers in een rolstoel (of met rollator). Het gesprek duurt ruim vijf minunten. Een gevoelde eeuwigheid. Ik zie de chauffeur van de SWR buiten op de parkeerplaats voor het station naast zijn auto staan. Hij kijkt naar mij. Ik probeer door middel van gebaren duidelijk te maken dat ik er niets aan kan doen. En dat ik mijn best doe om op te schieten.

Dan hangt de vriendelijke DB-medewerkster op. Ik kijk haar aan. Ik hoop dat ze goed nieuws voor mij heeft.
'Mijn collega heeft u een email gestuurd.', zegt ze.
Ik kijk direct op mijn telefoon. Maar ik heb geen email gehad. Behalve dan de email waarin staat dat ik contact moet opnemen met de DB.
'Nee. Mijn collega heeft u daarna nog een mail gestuurd.', beweert ze.
Ik kijk nog een keer. Maar ook dit keer zie ik geen email van de mobiliteitscentrale.
'Kunt u mij zeggen misschien, wat er in de mail staat?', vraag ik.
Ondertussen beginnen de eerste zweetdruppeltjes zich op mijn voorhoofd af te tekenen.
Er zouden die dag nog vele volgen.
De dame kijkt mij aan en zegt: 'Nee. Dat weet ik niet.'

Langzaam begint een wanhoop zich van mij meester te maken. Wat moet ik nu? Ik kan niet weg voordat ik weet, hoe ik morgen terug naar Stuttgart Flughafen kan komen. Het vliegtuig vertrekt om 19:20 uur. Het moet toch mogelijk zijn om uiterlijk twee uur ervoor in Stuttgart aan te komen? Wat er nog bijkomt: ik weet dat de mobiliteitscentrale om 22:00 uur sluit. De assistentie moet ik een dag van te voren aanvragen. En vanavond heb ik geen tijd meer. Want dan ben ik in de studio van de SWR. Het is dus nu of nooit.
'Kunt u alstublieft nog een keer bellen met uw collega?', vraag ik aan de mederwerkster achter het loket.
Dat doet ze zonder enig protest. Daarna geeft ze de telefoon aan mij.
'Het is misschien beter als u direct zelf met de mobiliteitscentrale spreekt. Om alles te regelen.'
Dat lijkt mij een uitstekend plan. Het kost tijd, maar uiteindelijk komt alles voor elkaar. Ik heb een treinresevering voor morgen, van Baden-Baden naar de luchthaven van Stuttgart.

'De rit naar het hotel zal iets langer duren dan gebruikelijk.', zegt de chauffeur. 'Dat komt omdat er wordt gebouwd in Baden-Baden. En een omweg is er niet. Daar staat ook alles vast.'
Ik kijk op de klok en zie dat ik nog twintig minuten de tijd heb, voordat ik in de studio moet zijn.
'Ik wil alleen graag nog even douchen, mijn tanden poetsen en mij scheren. En dan ben ik klaar.', mompel ik.
De chauffeur zegt dat dat geen probleem is. Hij kan mij zelfs nog tien minuten langer geven. Wat een opluchting!

Eenmaal in de kamer van het 5-sterren (!) hotel, duik ik meteen de badkamer in. De douche is 'drempelvrij'. Maar er staat geen plastik stoel onder. En er hangt ook geen zitje aan de wand, wat je kunt omklappen. Detail: dit klapstoeltje heeft er zeer waarschijnlijk ooit wel gezeten. De dichtgestopte pluggen zijn nog zichtbaar. Ik bel naar de receptie en vraag om 'een-stoel-voor-onder-de-douche'.

Even later klopt er iemand aan de deur van mijn kamer. Daar staat een medewerker van het hotel met in zijn handen een groot uitgevallen wijnkoeler.
'Ik kon zo snel niets anders vinden.', zegt hij verontschuldigend. 'Maar dit kan misschien ook?'
Omdat ik weet dat de tijd dringt, neem ik de 'wijnkoeler' aan. De deur sla ik dicht. De koeler zet ik op de grond. Want daar heb ik natuurlijk helemaal niets aan.

Uiteindelijk ga ik onder de douche op de vloer zitten. Het huilen staat mij nader dan het lachen. Ik overweeg om de opnamen van vanavond af te zeggen. Maar ik weet dat de mensen die op mij wachten in de studio, hier ook niets aan kunnen doen. Afzeggen maakt het alleen nog maar erger. Een klein kwartier later ben ik beneden in de hal van het hotel. Fris gedoucht en geschoren. En mijn tanden heb ik ook nog gepoetst.

De volgende ochtend word ik op het station van Baden-Baden door een medwerkerster naar het juiste perron begeleid voor de trein naar Karlsruhe. Omdat de lift aan het einde van het perron is, moeten we helemaal heen en weer lopen. Euh... rijden.
Als we uiteindelijk zijn aangekomen, gaat haar telefoon. Nadat ze heeft opgelegd kijkt ze mij aan.
'Het spijt me.', zegt ze. 'Maar de trein komt op het andere perron aan. We moeten weer terug.'
Even grijpt mij de angst bij de keel. Het zal vandaag toch niet een herhaling worden van gisteren? Hoe sterk is die wet van Murphy eigenlijk?

In Karlsruhe kan ik probleemloos overstappen. Eenmaal in de juiste wagon aangekomen, wil ik mijn tas op de grond zetten. Dan zie ik ineens die vriendelijke jongedame die gisteren ook bij mij in de trein zat.
'Hoe is het mogelijk?!', roepen we bijna tegelijkertijd uit.
De rit naar Stuttgart verloopt soepel. We praten aan een stuk door. We blijken elkaar een hoop te vertellen te hebben. Als ik in Stuttgart uitstap, geef ik haar mijn email adres. En een paar dagen later stuurt ze mij een berichtje. Een nieuwe vriendschap is geboren.