Mar 3, 2018

Maar waarom heb je niet aan de noodrem getrokken?!

Eind vorig jaar ben ik vanaf Utrecht via Den Haag, naar Rijswijk gegaan. Met de trein. Het was op 21 december. Ik weet het nog precies. Ik was nl. onderweg vanwege de crematie van mijn tante. Maar dat is niet de enige reden waarom ik deze reis niet meer zal vergeten.

Vooraf had ik mij bij de NS-dienst 'assistentie' aangemeld. Dat houdt in dat je aangeeft met welke trein je meewilt. Op dat moment wordt er hulp bij het in- en uitstappen georganiseerd. In de praktijk betekent dit: zowel bij vertrek, als ook bij aankomst staat er iemand op het perron klaar om te assisteren, al of niet met behulp van een speciaal hiervoor ontwikkeld ‘vorkheftruckje’. Of bijvoorbeeld door het neerleggen van een uitklapblare rij-plank.

Die assistentie wordt verleend door of iemand van NS zelf, of wordt uitbesteed aan een lokale taxidienst.

Hoe dan ook: zonder hulp kom ik de trein echt niet in, of uit. Hoewel...

Toen ik na een probleemloze overstap op Den Haag CS aankwam in Rijswijk, stond er niemand op het perron om mij te helpen. Natuurlijk: er zijn altijd wel passagiers die vragen of ze je kunnen ondersteunen. Maar hoewel ik de goede bedoeling zeer waardeer: ik heb echt professionele hulp nodig. Zonder liftje of plankje gaat het nu eenmaal niet.

Overigens is het als rolstoelrijder onderweg zijn met de Nederlandse treinen geen feest. Zelden kun je plaats nemen in de coupé. In de meeste gevallen moet je op het zogeheten balkon blijven staan, uh... zitten. En vergeet niet je goed vast te houden, als de trein door een bocht rijdt! In Duitsland en Italie bijvoorbeeld, kun je in alle IC en hogesnelheidstreinen - en in vrijwel alle regionale treinen - in de coupé zitten.

Terug naar Rijswijk: voorzichtig tot aan de rand gereden, vlak bij het trapje, stak ik mijn hoofd om de hoek van de deur. Hoopvol keek ik eerst naar rechts. En toen naar links. En toen weer naar rechts. Niets te bekennen wat ook meer leek op assistentie. Maar over een uurtje zou wel mijn tante worden gecremeerd! Dus ik kon het mij niet permitteren om door te rijden tot een volgend station, afgezien van het feit dat het maar de vraag was, of ik daar dan wel zou kunnen uitstappen.

En zo deed ik wat elk mens zou doen om de crematie van een geliefd familielid niet te missen: ik zette mijzelf op de vloer van het balkon en klauterde, niet zonder gevaar, over de traptreden van de trein, tot op het perron.
Kort ervoor had ik een mede passagier aangesproken.
‘Ik moet er hier uit. En er is niemand om mij te helpen. Kunt u mijn rolstoel achter mij aandragen?’
Ik herinner me dat de jongeman mij niet begrijpend aankeek.
Hoezo, de rolstoel achter mij aandragen? 
Zoiets moet hij hebben gedacht.
Maar al snel werd duidelijk wat ik bedoelde, toen hij mij uit de trein zag kruipen.
Hij zette de rolstoel naast mij en behendig als een aapje, klom ik vanaf de koude perronvloer, terug in mijn stoel.
De jongeman gaf ik een hand en bedankte hem voor zijn hulp.
Daarna reed ik over het perron naar de lift. En die deed het gelukkig!

Vanzelfsprekend heb ik later die middag contact opgenomen met NS-assistentie, om te vragen wat er nou was gebeurd. Of beter gezegd: waarom er niets was gebeurd, bij aankomst in Rijswijk. Mij werd verteld dat de opdracht om mij uit de trein te halen, wel was doorgegeven. Maar hoe het kwam dat er toch niemand stond bij aankomst; daarop moest men het antwoord schuldig blijven.

Na de plechtigheid moest ik weer terug vanaf Rijswijk via Den Haag CS en Utrecht CS, naar Zevenaar. Bij aankomst op het station stond dit keer wèl iemand op mij te wachten. Uiteraard bracht ik het voorval van eerder die middag, kort ter sprake.

‘Heel gek.’, antwoordde de niet onvriendelijke taxi-chauffeur van middelbare leeftijd.
‘Anders werkt het altijd wel. Kijk maar. Zo meteen komt er een jongen aan, in een rolstoel. Die komt van school. En die halen wij hier elke dag uit de trein.’
Kort erop mocht ik er getuige van zijn hoe een jongenman in een elektrische rolstoel, goed en wel uit de trein werd geholpen. Daarna was ik aan de beurt, om terug naar Den Haag te gaan. Het instappen verliep zonder problemen. Net als het uitstappen op Den Haag CS. Maar de avond was nog jong.

Want eenmaal aangekomen in Den Haag, bleek dat er een stroomstoring was, waardoor er geen treinen tussen Den Haag en Utrecht reden. En om mijn eindbestemming (Zevenaar) te bereiken, moest ik toch echt via Utrecht. Nou ja, er was nog een alternatief reisadvies: via Amsterdam-Zuid. Weliswaar zou ik een stuk langer onderweg zijn. Maar ik moest nu eenmaal naar Zevenaar. En wel nog diezelfde avond.

Ik probeerde er nog een taxi uit te slepen (‘Vanmiddag ging het ook al mis in Rijswijk!’), maar de absoluut vriendelijke dames van NS moesten streng zijn. Er was geen reden om mij in een taxi naar mijn eindbestemming te zetten.
Nog niet, naar later zou blijken.

Opnieuw ingestapt in Den Haag CS, kwam de trein korte tijd later aan in Amsterdam-Zuid. Nadat ik ook hier mijn hoofd voorzichtig uit de trein had gestoken om te zien of er iemand was, zag ik een man in NS uniform naar mij zwaaien. Naast hem stond een mij bekend ‘heftruck-liftje’ wat nodig is om mij uit de IC te helpen. Alleen: de man stond op het verkeerde perron. Op dat moment sloten de deuren zich en reed de trein verder. Nog net kon ik zien hoe de man die mij had moeten helpen, zijn schouders ophaalde. Daarna verdween hij uit mijn blikveld. Want de trein reed verder, naar... Ja, waar naartoe eigenlijk? Probeer dan maar eens de NS-assistentie te bereiken, via je mobiele telefoon!

Na ruim twintig minuten in de wacht te hangen, kwam op dat moment een conducteur langs.
‘Plaatsbewijzen alstublieft!’
Helemaal opgelucht dat er tenminste iemand van NS zichtbaar werd, sprak ik de man direct aan.
‘Ik heb een probleem!’, riep ik.
‘Ah, meneer heeft een probleem.’, antwoordde de conducteur.
Het cynisme in zijn stem ontging mij niet. Maar ik had simpelweg geen tijd om hier verder aandacht aan te besteden.
‘Ja, inderdaad.’, vervolgde ik. ‘Een probleem. Want ik had er uitgemoeten op Amsterdam Zuid. En daar stond wel iemand om mij te helpen. Maar die stond op het verkeerde perron!’
De conducteur keek al iets minder cynisch, toen hij opmerkte: ‘Maar er is helemaal geen assistentie aangevraagd op deze lijn.’

Zo kort en bondig mogelijk, legde ik hem uit wat er was gebeurd. Stroomstoring, omleiding via Amsterdam Zuid, aanvraag gelopen via Den Haag CS. En natuurlijk liet ik niet achterwege te vermelden, dat ik die eerder die middag ook al de trein uit had moeten klauteren, omdat er niemand was geweest om mij te helpen.
De conducteur keek mij aan, schudde bedenkelijk zijn grijze hoofd en vroeg: ‘Maar waarom heb je dan niet aan de noodrem getrokken?!’
De noodrem?
‘Ja, daar is die noodrem voor!’, riep hij uit.
Ik moest bekennen dat ik er wel even aan had gedacht: dit was natuurlijk de kans van mijn leven geweest, om een keer aan de noodrem te trekken! Maar toch: er was geen sprake van levensgevaar.
‘Als er sprake is van levensgevaar, is het meestal al te laat.’, reageerde de conducteur doodleuk.
Daarna nam hij contact op met zijn collega’s. Toen hem eenmaal alles duidelijk was, kwam hij bij mij terug.
‘Vriend, het volgende station is Almere. En wij blijven net zo lang staan in Almere, totdat jij uit de trein bent geholpen. Al duurt het de hele nacht!’

Bij aankomst in in Almere bleek ook daar - hoewel toegezegd - geen hulp te zijn georganiseerd. En omdat ik de rest van de passagiers niet al te lang te wilde laten wachten (zoiets heb ik al op mijn geweten, maar daarover een andere keer!), deed ik gewoon nog een ‘Rijswijkje’: uit de trein klauteren. Ditmaal was het de conducteur die mijn rolstoel naast mij neerzette. Tegelijk overlaadde de man mij met excuses.
‘Ik weet dat het niet uw schuld is.’, zei ik. ‘U heeft alles gedaan, wat u kon doen. Dat kan ik erg waarderen.’
Daarna gaven we elkaar een hand.
‘En de NS assistentie belt je om een taxi voor je te regelen.’, bevestigde de conducteur nogmaals.
‘Weet u dat zeker?’, vroeg ik lachend.
De man knikte. Hij wist het zeker. Ik hoefde alleen maar op het telefoontje te wachten.
Inmiddels was het ergens rond 21.00 uur.

Almere is, wat zal ik zeggen, niet het meest aantrekkelijke station. En al helemaal niet om 21:00 uur ’s-avonds. Na een klein half uurtje te hebben gewacht, heb ik opnieuw zelf met NS-assistentie contact opgenomen. Het goede nieuws: ze wisten ervan, van mijn reisavonturen. En een taxi zou worden geregeld. Het kon alleen nog wel even duren.

Korte tijd later zag ik een politieagent lopen.
Ik sprak hem aan en vroeg of er nog iemand van de NS aanwezig was.
Hij schudde zijn hoofd.
Ik legde uit wat het probleem was.
‘Als je wilt, kun je bij ons wel een bak koffie krijgen.’, stelde de vriendelijke agent voor.
En zo landde ik die avond in het door een kerstboom verlichtte kantoortje van de politie op station Almere. Ik vermoed dat er een stuk of zes, zeven agenten aanwezig waren. En er was ook koffie. En thee. En er liep een televisie. En het toilet was groot genoeg, zodat ik er ook nog even gebruik van kon maken.

Uiteindelijk arriveerde om kort na 22:00 uur de taxi. De chauffeur belde mij om te zeggen dat hij voor het station stond.

Toen ik mijn jas aantrok en bedankte voor de vriendelijke ontvangst, zei de agent die mij eerder die avond koffie had aangeboden, dat hij wel even met mij mee zou lopen.
‘Die hoek waar de taxi’s staan, is ’s-avonds niet de meest prettige hoek.’

De rit duurde ruim anderhalf uur. Onderweg was het gezellig. De taxichauffeur was een jonge man. Onderweg vertelde hij mij uitgebreid over de problemen met zijn vriendin. Ik luisterde en probeerde wat advies te geven.

Dat is geloof ik wel een beetje mijn rol in dit leven: begrip tonen voor de situatie en kijken, hoe we er het beste van kunnen maken. Of het nu gaat over relatieproblemen, depressie's of uit een trein komen. Ach, een mens moet flexibel zijn.

UPDATE 13 april: NS heeft mij gecontacteerd en 'Sorry!' gezegd voor wat er die dag is gebeurd. Ook hebben we gesproken over wat er eventueel verbeterd kan worden, aan de toegankelijkheid van de trein. Tenslotte heb ik twee dagkaarten gekregen.