Aug 10, 2015

Over vooroordeelhomo's met bloten billen en meer maandag ellende

Alsof de temperatuur al niet zomers genoeg is, lopen de gemoederen op deze maandag in augustus weer eens hoog op. Terwijl over het neerstorten van MH17 schijnbaar alleen maar in het diepste geheim kan worden gesproken, en Marc de Hond bijna over de voorwieltjes van zijn rolstoel struikelt terwijl hij zijn Parnassia-momentum grijpt ('Sindsdien wordt het stuk (zijn blog van dag ervoor, red.) zo vaak gedeeld dat mijn provider moeite heeft om mijn website in de lucht te houden.'), voelt een aantal homoseksuelen zich gestigmatiseerd door een artikel op de site van RTV NH.

Of eigenlijk gaat het meer om de foto bij het artikel, dat de grote populariteit van de door de GGD Amsterdam doorgevoerde proef met het medicijn Prep beschrijft. Prep is een middel dat de besmetting met hiv zou moeten verkleinen. Opmerkelijk is dat in de loop van de dag de foto werd vervangen door die van een potje pillen. Waarom deze wijziging?

Wellicht heeft het te maken met het feit dat kort na het verschijnen van de foto van de man-met-blote-billen-broek, op Twitter een kleine storm van protest losbarstte. De foto zou stigmatiserend zijn. Er zou sprake zijn van beeldvorming. En - echt waar - iemand schreef: 'Dit is niet dé homo. Dit is de vooroordeelhomo.'

Maar wat wil deze groep nu eigenlijk? Van twee walletjes eten? Aan de ene kant moet het homo-zijn uitgebreid worden gevierd. Of de acceptatie ervan. Of de niet voldoende acceptatie ervan, maar dat wordt dan niet gevierd natuurlijk, dat moeten worden verholpen. En dat alles noemt men een GayPride. Zoals een van de protestmakers omschreef: 'de diversiteit van de gehele LHBT gemeenschap!' In de praktijk is het een bonte optocht door Amsterdam, elk jaar opnieuw. En wie zegt last te hebben van kotsende en wild om zich heen pissende toeschouwers, die zeurt ('Een Vandaag', 07.08.2015).

Maar nu er een foto, waarschijnlijk gemaakt tijdens diezelfde GayPride, wordt gebruikt bij een artikel dat gaat over een medicijn dat homoseksuelen als doelgroep heeft, is er plotseling een probleem. De foto laat drie mannen zien, onherkenbaar. Een van hen heeft een leren, kontloze broek aan. Deze foto zou dus stigmatiserend zijn. Van de eerder geroemde diversiteit blijft bitter weinig over. Want: 'zo zijn niet alle homo's', twittert iemand. Een ander heeft het over 'de doorsnee homo'. En 'Blote billen hebben niks met hiv te maken.' Tja.

Aan de ene kant moet de Gaypride - met alles erop en eraan - kunnen. En wie erover klaagt, die zeurt. Maar oh wee als een foto van feestvierende Gaypride bezoekers bij een artikel over een Prep-trial in Amsterdam wordt geplaatst. Op dat moment schijnen er ineens 'doorsnee homo's' en 'vooroordeel homo's' te bestaan. Oh ja, iemand sprak ook nog de twijfel uit of de mannen op de gewraakte foto überhaupt wel homoseksueel zouden zijn?

Tot slot: m.b.t. het Parnassia-rolstoel-incident wilde ik mij tot de volgende vaststelling beperken: in Nederland is (rolstoel)toegankelijk een niet bestaand thema. Een zogenaamd 'non-issue'. Dat blijkt alleen al uit het feit dat Nederland als een van de laatste landen wereldwijd, het 'VN Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking' nog altijd niet heeft geratificeerd. Ronduit schandalig. Wie hierover meer wil weten, leest hier verder.

Jun 21, 2015

Terug naar het oude huis

Je kunt denken dat je hebt afgesloten met wat je hebt meegemaakt, en dat je klaar bent met het verleden. Maar dat hoeft nog niet te betekenen, dat het verleden ook klaar is met jou. Het wacht op het juiste moment, om je voor een laatste keer te confronteren. En dat moment komt, al of niet onverwachts, en al of niet zo fijntjes geregisseerd als mij vandaag overkwam.

Onderweg in Amsterdam, met achter mij aan een tv team van de Duitse 'WDR', ging ik vanochtend naar station 'Amsterdam RAI'. Voor wie het niet weet: hier ben ik op een vrijdagmiddag in november 1999, voor een aanstormende Intercity gesprongen. Later vandaag stond het Vondelpark, de plek waar ik jarenlang heb hardgelopen, op het programma. Op zich niks nieuws. Al vaker ben ik n.a.v. mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord' met een tv team door de stad getrokken, waar ik vanaf eind jaren '80 tot eind jaren '90 heb gewoond.

Na het treinstation gingen we op bezoek bij de politieagent die destijds als eerste ter plaatse was. Hij is diegene die het doek wat de conducteur over mij had heengelegd, in de veronderstelling dat ik was overleden, heeft opgetild. Daarop stelde hij vast dat ik nog leefde. De bewuste agent heb ik eerder ontmoet (De Reunie). Toen kwam hij naar mij toe, in Italie. Dit keer ging ik naar hem.

Op het bureau aan de Leijenburghlaan werd ik hartelijk begroet Een van zijn collega's, een vrouw van middelbare leeftijd, die aanwezig was bij een van mijn allereerste en toen nog ietswat stroef verlopende lezingen (politieacademie Ossendrecht), herkende mij direkt.
'Vanochtend had ik het nog over je!', zei ze en vertelde, hoe weer een andere collega had opgemerkt: 'Hoe kan iemand toch zoiets doen, zelfmoord plegen?' Dit n.a.v. een recent voorval in de wijk.
Daarop had zij geantwoord dat ene Viktor Staudt daar een heel boek over heeft geschreven.

Van daaruit leidde de route naar het Vondelpark langs de Hemonystraat. Bijna tien jaar heb ik hier gewoond, voordat ik die vrijdagmiddag in november de deur achter mij dichttrok, om vervolgens op weg te gaan naar station RAI.

Het was niet de eerste keer 'ever since' dat ik het huis zag, waar ik zoveel goede en slechte tijden heb beleefd. De eerste keer was direct na mijn interview in 'DWDD', de dag waarop mijn boek in Nederland verscheen. Toen was het pand nog precies zoals ik het had achtergelaten. Met dit verschil: het stond leeg. Alles was donker. Het zou worden gesloopt, heette het. Een jaar of wat later heb ik het opnieuw gezien, slechts in het voorbijgaan, rijdend over de Stadhouderskade. Toen stond het in de steigers. Nu was het volledig gerenoveerd, omgetoverd tot schitterende appartementen. Maar met alle originele details behouden, waardoor het mij zo bekend voorkwam. Alleen veel mooier dan ik het ooit heb gezien. Het zilverkleurige huisnummer glimde in de schaarse lentezon.

'Kunnen we je filmen terwijl je ons vertelt over je vroegere woning?', vroeg de reporter van de WDR. Daarop reed ik over de rolstoeltoegankelijk (!) gemaakte stoep van de Hemonystraat. Even leek het alsof ik maar kort ervoor was weggegaan. Alsof ik weer thuiskwam. Bijna. En alles was nieuw. Zelfs de oude herinneringen, terwijl ze in sneltreinvaart door mijn hoofd raasten, leken als gebeurtenissen van gisteren. Met meer bloemen in de straat dan ik daar ooit in al die jaren bij elkaar heb gezien, schroomde ik om over te steken en de voordeur aan te raken. Dezelfde deur die ik bijna zestien jaar geleden zo definitief achter mij had dichtgetrokken. Maar ik deed het toch. Juist op dat moment kwam een jongeman aanwandelen, met naast zich een hond.

'Ik heb hier gewoond.'; vertelde ik hem, nadat hij had gehoord hoe ik de reporter over het gebouw vertelde. 'En nu maken we een documentaire voor televisie.'
Uit zijn reactie merkte ik op, dat hij mij niet eerder had gezien.
'Wil je misschien even binnenkijken?', vroeg hij. 'Om te zien hoe het is geworden!'
Ik zei dat ik niet op de begaande grond, maar op de eerste en later op de tweede verdieping heb gewoond.
'Heb je het huis ooit gezien, nog voordat het gerenoveerd is?', vroeg ik op mijn beurt.
De jongeman, ergens eind 20 vermoed ik, schudde zijn hoofd.
'Toen waren het niet meer dan kamers, met elk een badkamer op de gang.', vertelde ik. 'Het is heel vroeger een hotel geweest. En daar verderop, daar zat een bakkerij. En daar tegenover een snackbar.'
'De snackbar is weg.', antwoordde hij. 'Dat is nu een goed restaurant geworden.'
De onbekende man met hond wilde weten waarom ik ooit was weggegaan.
Daarop besloot ik hem mijn verhaal te vertellen.
Hij reageerde geinteresseerd.
'Ik wil je boek wel lezen. Hoe heet je precies?'
We namen afscheid en ik gaf hem een hand. Opnieuw vroeg hij naar mijn naam.
Ik gaf hem de titel van mijn boek. 'Dat is makkelijker te onthouden!'

Eenmaal terug in de auto, vroeg de reporter van de WDR: 'Hoe vond je het, om opnieuw het oude huis te zien?'
Even moest ik nadenken.
oen antwoordde ik: 'Het is goed zo.' In mijn stem klonk een welgemeende berusting.
'Er is een 'nieuwe Viktor' gekomen. En ik hoop dat hij kan genieten van alles wat het leven hem daar te bieden heeft, zonder dat een depressie er een donkere schaduw overheen werpt.'

Vanavond, eenmaal terug in mijn hotelkamer, vroeg ik mij af of het nu een goede, of juist slechte dag was geweest. Waren de goede herinneringen aan de Hemonystraat, overmatig gevoed door de bloemrijke, lenteachtige omgeving, zo sterk dat ze niet alleen de slechte herinneringen wisten te verdringen, maar ook een verlangen naar een 'reprise' - maar dan zonder depressie - konden opwekken? Het antwoord volgde toen ik mijn koptelefoon opzette en de muziek startte. Minder dan een minuut later liepen de tranen over mijn wangen en kromp ik ineen, volledig overweldigd door emoties.

Kort erop ontving ik een WhatsApp van een zwem-maatje. Gaan onze berichtjes normaal gesproken alleen over wanneer we naar het zwembad gaan, stuurde hij mij deze avond een foto van de zonovergoten heuvels rondom Bologna. Schijnbaar zonder reden. Zomaar. De tekst onder de foto luidde: 'Prettige zondag. En ik hoop dat je snel weer naar huis komt!'

Het verleden, althans wat Amsterdam betreft, is nu wel klaar met mij.
Maar de toekomst nog lang niet.

Mar 29, 2015

Deppen, Viktor! Niet wrijven, anders word je zo rood in je gezicht!

'Kan die tunnel, de tunnel uit de zogenoemde tunnelvisie bedoel ik, echt zo enorm lang zijn?', vraagt de journaliste mij.

Het gaat over de neergestorte Airbus van Germanwings en de tot nu toe aangenomen oorzaak: een door psychische aandoeningen tot zelfmoord gedreven piloot.
'Ik ben geen psychiater en ook geen psycholoog.', antwoord ik. 'Maar op grond van wat ik zelf heb meegemaakt en gelezen in de mails die mij de afgelopen twee jaar hebben bereikt, wil ik het zeker niet uitsluiten.'

De journaliste die tegenover mij zit, maakt een aantekening. Naast haar staat de cameraman. Daarnaast de jongedame die het geluid regelt. Omdat we filmen in een kleine ruimte ergens achterin een café, hebben ze een zeer felle lamp opgesteld, gericht recht in mijn gezicht. Tesamen met de donkere, afgesloten ruimte om mij heen, lijkt het alsof ik word vehoord.

'Je hebt wat zweetdruppeltjes op je lippen.', zegt de cameraman en vraagt of ik even wil deppen met een servetje. 'Maar niet wrijven!', roept hij erachteraan. 'Anders wordt het helemaal rood!'
Eerlijk gezegd valt het mij nog mee dat ondertussen het water niet in straaltjes over mijn hoofd loopt.
'U zegt weleens, dat u niet aan de machinist heeft gedacht, toen u voor de trein sprong.', gaat de journaliste verder. Ze is vrij jong. Ik schat haar ergens begin 20. Is ze niet te jong voor dit soort dingen, vraag ik mij af. Maar veel tijd om daarover na te denken heb ik niet.
'Waarom heeft u niet aan de maschinist gedacht?', wil ze weten.
'Ik denk dat ik als ik überhaupt nog aan de machinist had kunnen denken, ik niet was gesprongen.', antwoord ik. 'Op het moment dat iemand een einde aan zijn leven maakt, heeft hij al lang afscheid genomen van alles en iedereen om hem heen. Dan is er niets meer. En de trein, die is op dat moment alleen nog maar een middel om je doel te bereiken.' Net als een vliegtuig, denk ik erachteraan. Maar ik hou het voor me.
De cameraman maakt weer een gebaar.
'Je neus, Viktor. Je neus!'
Voorzichtig dep ik links en rechts op mijn gezicht. Vervolgens houd ik de inmiddels tot prop verfrommelde servet in mijn handen, die ik in mijn schoot leg.

'Als u kijkt naar de mensen om u heen, heeft u dan spijt wat u hen heeft aangedaan, namelijk door voor de trein springen?', vraagt de jonge vrouw.
Wat moet ik daar in Godsnaam op antwoorden? Kies ik het politiek correcte 'Ja, natuurlijk heb ik spijt! Het spijt me heel erg!'? Of ik antwoord ik naar waarheid en zeg: 'Nee, ik heb geen spijt. Ik weet nu dat ik toen niet anders kon. Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen, dat je altijd een keuze hebt. Maar dat ik is niet zo. Als alle eenzaamheid en wanhoop bij elkaar zo groot zijn dat je niet anders meer kunt, dan blijft er geen keuze meer over.'

Opnieuw denk ik aan de foto's van Andreas L. die ik in de media heb gezien. Ik zie een jonge, sportieve man die veel gaat hardlopen. En die lacht als hij tijdens een vakantie wordt gefotografeerd. En die in de laatste dagen van zijn leven een auto schijnt te hebben willen kopen voor zijn vriendin. Maar die tegelijkertijd een felle strijd tegen zijn onzichtbare vijand leverde. In sommige berichten wordt gesproken over depressie's, over angst- en paniekaanvallen. En ook over het gebruik van medicijnen. En over het verscheuren van een ziekmelding.
'Toen ik uit de kliniek kwam,', begin ik ongevraagd te vertellen, 'en de psycholoog mij een brief had meegegeven waarop stond dat ik een borderline persoonlijkheidsstoring heb, heb ik die brief korte tijd later verscheurd en in een prullebak op straat weggegooid. Alsof het daardoor niet bestond.'
De journaliste kijkt mij met een uitermate serieuze blik aan. Ik vraag me af of het bezorgdheid is, of dat het simpelweg de ernst is waarmee ze haar werk doet.

'Kunt u begrijpen waarom Andreas L. het vliegtuig heeft laten neerstorten?', vraagt ze dan.
Ik glimlach en schud mijn hoofd.
Op dat moment zegt de cameraman dat hij even een pauze nodig heeft om een tape te verwisselen. En terwijl hij dit doet, fluistert hij tegen de journaliste, terwijl ze op nog geen twee meter afstand van mij vandaan zijn. Wat is het wat ik in vredesnaam niet mag horen? Als hij de tape heeft verwisseld, kijkt de journaliste mij opnieuw aan.
'Natuurlijk ben ik blij dat je er zo open over spreekt, Viktor.', zegt ze overtuigend. 'Maar ik denk dat het beter is als je niet lacht, als we hierover spreken. We willen voorkomen dat de kijkers denken, dat je het opneemt voor de piloot.'
Opneemt voor de piloot? Wie heeft dat in vredesnaam gezegd?
Als de cameraman een sein geeft, mag ik op de vraag antwoorden. Ik zucht opnieuw. Want ik weet dat ik mijn woorden nu uitermate zorgvuldig moet kiezen.
'Ben ik nu een slecht mens, als ik zeg dat ik het mij wel kan voorstellen?', begin ik. 'Natuurlijk is zijn actie op geen enkele manier goed te praten. Nooit! Het door hem veroorzaakte leed is niet te overzien. Maar ik weet dat de uitzichtloosheid die iemand kan voelen na zo'n lange strijd tegen problemen die alleen maar sterker lijken te worden, een peilloos diepe wanhoop is. Eentje die de meeste mensen gelukkig nooit hoeven mee te maken.'
Mijn stem stokt. Voor het eerst sinds twee jaar geleden mijn boek is verschenen en ik in 'DWDD' aan tafel mocht aanschuiven, merk ik dat ik door mijn emoties word overrompeld tijdens een vraaggesprek.
'Het is misschien wel de diepste vorm van radeloosheid die er bestaat.', zeg ik en kijk vervolgens opzij, weg van de camera. En terwijl pers ik mijn lippen samen en haal een keer diep adem, door mijn neus. Om niet in tranen uit te barsten.

Mar 1, 2015

Praten over depressie: ok. Maar het moet niet te zwaar worden, alstublieft!

Praten over depressie lijkt binnen de media steeds gemakkelijker te gaan. Als je uitgaat van het aantal keren dat 'depressie' en soortgelijke thema's voorbij komen, lijkt het ooit bestaande taboe ondertussen verdwenen. Alleen al op tv ('Anita wordt opgenomen', 'Van de straat', 'Over de streep', 'Doe even normaal', diverse documentaire's) is de aandacht over psychische problematiek al lang het ooit door Koot&Bie* gepersifleerde psychologen duo uit de jaren '80 voorbij gestreefd. Ook in kranten en tijdschriften is het bespreken van 'mentale problemen' niet langer uitzondering.

Het gaat dus de goede kant op. Zou je denken. Maar is dat ook echt zo?

Dat laatste vraag ik mij af, als ik kijk naar de manier waarop 'psychisch ziek zijn' onder de aandacht wordt gebracht. In vrijwel alle gevallen valt namelijk één ding op: luchtig. Praten over depressie is ok, heel af en toe mag zelfs iemand roepen dat hij dood wil, maar dan wel het liefst zittend op de bank, met een kopje thee erbij. 'Geluk is voor watjes' grapt de cover van de nieuwe 'Opzij'. Een paar pagina's verderop doet Myrthe van der Meer (schrijfster van o.a. Paaz, waarin ze vertelt over haar depressie) een dansje. Heel luchtig allemaal.

Zijn er uitzonderingen? Ja. Onlangs zond Zembla de documentaire 'Jeroen wilde niet dood' uit. Een genadeloos gevecht tegen depressie werd nietsontziend weergegeven. Het verhaal liep slecht af. Op de site van Zembla heeft deze documentaire zeggen-en-schrijven 13 'likes', als uiting van interesse. Was het te zwaar?

Depressie raakt aan de kern van het bestaan. Het kan aan je vreten als een kwaadaardig gezwel. Praten over depressie is goed. Praten over depressie light – volgens de media althans - nog beter! Let op: hiermee wil ik de ernst van een lichte depressie zeker niet onderschatten. Maar de vrijwel eenzijdige belichting van dit onderwerp biedt weinig hoop voor hen die door een ernstige, levensbedreigende variant zijn getroffen. Welhaast ontbreekt elke vorm van identificatie. En daarmee de kans dat iemand die daadwerkelijk op het punt staat een einde aan het leven te maken, steun vindt in een niet-luchtig verhaal van een of meer lotgenoten.

In zijn boek 'Demonen van de middag' vertelt Andrew Solomon hoe hij hoopte door onveilige seks te hebben, een dodelijke ziekte op te lopen en te sterven, als oplossing voor zijn depressie. In mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord' beschrijf ik hoe ik als iemand die lijdt aan een met depressie verbonden minderwaardigheidscomplex, zichzelf wil vernietigen. Dat is zwaar. Dat is echt. En een echte depressie is niet luchtig. Daar weten de meisjes en jongens van de stichting Tweestrijd alles van.

Midden in het door een ongekend hoog aantal suicides gekenmerkte West-Friesland, proberen zij uit alle macht het aantal zelfmoorden in hun directe omgeving terug te dringen. Uitgenodigd voor een lezing, belandde ik afgelopen zondag voor een publiek waar vrijwel iedereen minstens 1 persoon had verloren, door zoals psychiaters dat noemen, harde suicide. Voor de trein. En dat loopt zelden goed af. Maar erover praten biedt steun. En hoop.

Gisteren las ik in een aankondiging over een binnenkort door mij te houden lezing in Deventer: 'Voor mensen die met depressieve of andere klachten leven of die er in eigen kring ermee geconfronteerd worden is dit een bijzondere lezing. Zaken worden benoemd maar het wordt nergens ‘zwaar’.' Het wordt nergens zwaar? Wie heeft dat beweerd? Het wordt hartstikke zwaar! En echt. En oprecht. En eerlijk. En authentisch. En hoopvol. Dus wie durft?

Deventer, maandag 9 maart. Inloop 19.00 uur, start lezing 19.30 uur. In de Wijkwinkel en Bibliotheek Centrum, Brink 70, 7411 BW Deventer Toegang gratis.

* de naam van het tv programma uit midden jaren '80, waarin twee vrouwelijke psychologen een aantal problemen bespraken, wil mij niet te binnen schieten. Koot&Bie hebben later hun typetje 'Mémien Hoolbog' hierop gebaseerd. Weet misschien iemand hoe dat KRO of NCRV programma heette?

Jan 11, 2015

fantoompijnen en fantoomgevoelens

Van de week schreef ik dat ik wakker was geworden door hevige fantoompijnen. Ik heb daar veel reactie's, waaronder vragen op gekregen. Wat fantoompijnen en -gevoelens zijn en hoe ze ontstaan, laat ik over aan de experts.

Kort nadat mijn benen waren geamputeerd, had ik geen pijn! Zelf was ik daar – uiteraard - blij mee. Maar ik herinner mij een dokter in het ziekenhuis die destijds tegen mij zei, dat het niet persé een goed teken was. Want het ontbreken van fantoompijnen vlak na de operatie leidt niet zelden tot een (latere) ontwikkeling van fantoompijnen, die chronisch worden.

Ik heb zowel fantoompijnen, als ook fantoomgevoelens. Deze laatste uiten zich daardoor dat ik mijn komplete benen (alles vanaf de knie-schijf tot aan mijn kleine teen) kan voelen. Mijn kuiten bijvoorbeeld, die kan ik voelen. Ook mijn enkels. Maar ze doen geen pijn.

De fantoompijnen bestaan in mijn geval uit twee soorten. De eerste is chronisch: elke seconde van de dag, vanaf het moment dat ik wakker word, totdat ik in slaap val. Deze pijn voelt alsof ik schoenen draag die twee maten te klein zijn. Schoenen die ik nooit meer kan uittrekken.

Aanvankelijk benauwde mij alleen het idee, dat deze pijn nooit meer zou weggaan. Uiteindelijk (en dan heb ik het over een paar jaar nadat de pijn ontstond) was ik zover dat ik deze pijn kon accepteren. Een plaats geven. Vergelijk het met het dragen van een horloge. Of van een ketting. Of van een bril. Uiteindelijk komt het erop neer, dat het dragen je niet moet gaan irriteren. Toegegeven: een bril of een horloge doen doorgaans geen pijn, hooguit voel je er iets van. Maar het principe is denk ik hetzelfde. Je moet het accepteren en je er vooral niet tegen gaan verzetten.

Gevolg van het accepteren was dat ik kon stoppen met de (zware) pijnstillers. Let op: die pijnstillers (opiaten) nemen de pijn niet weg. Ze verplaatsten deze hooguit naar de achtergrond. Net alsof je drie glazen wijn achter elkaar opdrinkt. Het wordt allemaal wat 'relaxter' om je heen. Maar de problemen (in dit geval: de pijn) verdwijnen niet.

De tweede pijnsoort is ernstiger: dat voelt als (elektrische) schokken. En ik zeg het eerlijk: dat is niet uit te houden. Het goede nieuws is: slechts 1000 mg Ibuprofen helpen. Na het innemen ben ik een uur of 6 a 7 pijnvrij. 'Slechts 1000 mg Ibuprofen?' Ja, want vergelijk het maar eens met de door de medische wetenschap voorgeschreven alternatieven (morfine, codeine, synthetische opiumachtige stoffen).

Gelukkig komt deze tweede pijnsoort niet al te vaak voor. Er kunnen weken voorbijgaan zonder schokken. En soms duren ze drie dagen achter elkaar. Vanzelfsprekend heb ik een hele lijst van alternatieve pijnbestrijding afgewerkt. Van warm- en koud water baden, het toedienen van minimale elektrische prikkels, massage en kruidendrankjes tot aan al-of-niet dubbelgevouwen aluminium folie. Maar helaas.

Tot slot: niet zelden wordt mij gezegd, dat ik niet echt de indruk maak alsof ik de hele dag lijd onder het dragen van te krappe schoenen. Dat klopt! Er niet over praten is onderdeel van het accepteren en het daarmee uithouden van deze pijn. Stel je voor dat je voortdurend loopt te klagen over dit-of-dat: uiteindelijk wordt het daardoor alleen maar erger.

Jan 10, 2015

#JeSuisHoltrop

Willem Holtrop is een Nederlandse tekenaar die werkt op de redactie van 'Charlie Hebdo'. In De Volkskrant van vandaag laat hij zich aanvankelijk nogal laatdunkend uit over de mensen die door middel van #JeSuisCharlie hun medeleven betonen. Een medeleven wat niet in de laatste plaats is gericht aan de nabestaanden, waarvan Holtrop er een is. Of zoals parlementair redacteur Ariejan Korteweg omschrijft: 'de laatste overlevende ... van de generatie die in 1968 met Charlie Hebdo begon.'

Op vragen wat Holtrop vindt van #JeSuisCharlie antwoordt hij: 'Daar moet ik om lachen.' en 'Wij kotsen op al die mensen die nu ineens zeggen dat ze onze vrienden zijn.'

Sympathiek klinkt het geenszins. Veel (extra) abbonees zal het niet opleveren. Maar daar schijnt Holtrop niet mee te zitten: 'Met geldtoestanden heb ik me nooit bemoeid.'

Kun je Holtrop wel serieus nemen, op dit zo emotioneel beladen moment in zijn leven? Zijn zijn uitpraken nu echt zo minachtend bedoeld als ze klinken?

Holtrop is een kunstenaar die leeft in de wereld van zijn tekeningen. Dat zegt hij zelf, als hij wordt gevraagd naar hoe hij het verlies van zijn collega's ervaart: 'Ik ben er niet zo goed in daar woorden aan te geven. Ik ben meer van het tekenen.'

En even later, als het opnieuw over demonstreren gaat: 'Maar als ze demonstreren voor het vrije woord, is dat wel goed natuurlijk.'

Ik stel voor dat we Holtrop blijven ondersteunen. En die kots nemen we hem (vooralsnog) niet kwalijk!

Jan 9, 2015

Gezeik over #JeSuisCharlie

Het feit dat LuckyTV het nodig vond om minder dan 48 uur na de aanslag in Parijs een grap te maken over #JeSuisCharlie, heeft volgens mij niets met satire te maken. Want satire is maatschappijkritisch. Het ging hooguit om de vermeende dommigheid van de koning te benadrukken.

Voor wie zegt dat het wèl satire is: met de gedachten of filosofie achter satire en spotprenten kun je het wel of niet eens zijn. Maar ze gaan niet ten koste van slachtoffers van een dodelijke aanslag en hun nabestaanden. Dat is namelijk geen satire meer, dat is ronduit smakeloos. En het heeft ook niets te maken met 'vrijheid van meningsuiting'.


In De Volkskrant van vandaag (09.01) schrijft Sheila Sitalsing over #JeSuisCharlie:

'...bordjes met Je Suis Charlie in de hand zie ons eens betrokken, goed volk zijn. Zie ons eens koket de grens oversteken van meevoelen op afstand naar andermans leed annexeren, want potverdorie het had ons ook kunnen overkomen.'

Maar waar is deze veronderstelling op gebaseerd? Welke #JeSuisCharlie heeft dat van zichzelf beweerd?


#JeSuisCharlie is helemaal niet nieuw. Het bestaat reeds van lang voor 7 januari. Want begon het niet allemaal met 'I am Bradley Manning'? Kort erop hielden Julian Assange aanhangers A-4tjes met 'I'm Julian' omhoog. Ook heb ik 'I am Snowden' T-shirts langs zien komen.

Is dat allemaal gekokketeer? Nee. Noem het een nieuwe, moderne manier van meeleven. Steun bieden. Zonder enige pretentie. En daar is elk woord van (Nederlands) moralisme overbodig.

Dec 29, 2014

Een man en zijn stoel

Ik ken het spreekwoord: prijs de dag niet voordat het avond is. Dus met enig voorbehoud en met minstens zoveel bedachtzaamheid stel ik mij vandaag op 29 December alvast de vraag: wat was het meest vervelende moment van 2014?

Zonder tot moppersmurf te verworden: ik heb een hele lijst met vervelende momenten. Maar bij eentje heb ik mij achteraf verbaasd over mijn reactie. Dat was toen ik onvrijwillig werd gescheiden van mijn rolstoel.

Het voorval gebeurde terwijl ik onderweg was voor een boekpresentatie. Na aankomst op de luchthaven werd ik door twee mensen van boord gehaald. Dit gebeurde m.b.v. een zogenaamde boordrolstoel, die smal genoeg is om door het gangpad van een vliegtuig te kunnen. Normaal gesproken staat vervolgens mijn eigen rolstoel klaar, direkt bij de uitgang van het vliegtuig. Of als het toestel niet kan worden aangesloten op een brug: onderaan de trap. Dit keer echter, ontbrak elk spoor van mijn trouwe metgezel, mijn eeuwige reisgenoot, mijn betere helft.

'Waar is mijn rolstoel?', vroeg ik aan de jongen en het meisje die mij zojuist hadden geholpen.
Hoewel een vooralsnog lichte schrik om mijn hart sloeg, realiseerde ik mij dat de kans dat mijn rolstoel bij vertrek was achtergebleven, erg klein was. Maar toch!
Direkt nam de jongen contact op met een collega, die buiten bij het toestel stond. Al snel brak licht door tussen de donkere wolken die zich boven mijn hoofd hadden verzameld.
'Uw rolstoel is aangekomen. Die ligt op de baggageband.'

Op de baggageband? Mijn kwetsbare, tere, lieve, arme rolstoel, tussen al die lompe, grote, stootvrije en loodzware koffers op de baggageband?

Direkt begon ik te sputteren dat mijn rolstoel na aankomst vanuit het ruim, naar de deur moet worden gebracht. Niet voor niets is er voor vertrek aan de rugleuning een kaartje bevestigd waarop staat: 'DAA' (delivery at aircraft). Net zoals dit gebeurt bij kinderwagens. Of handbaggage, die op het laatste moment is afgenomen, omdat er geen plek meer is in de cabine.

Maar nooit ofte nimmer kan mijn rolstoel naar de baggageband worden getransporteerd. Stel je voor dat er een wiel beschadigd raakt doordat er een koffer tegenaan stoot? Of dat de rugleuning een opdonder krijgt op het moment dat de stoel op de ronddraaiende band terecht komt? Een kapotte koffer kun je nog meeslepen naar huis. Maar met een kapotte rolstoel kom ik geen meter vooruit!

In de slecht opgepompte en veel te brede luchthaven-rolstoel, bereikten we de ruimte waar de overige passagiers stonden te wachten op hun baggage.
'Blijft u even hier, als u wilt.', sprak de jongeman beleefd. Kort erop kwam hij met mijn rolstoel in zijn handen naar mij toe lopen. Alsof hij een verloren hondje had gevonden, straalde hij van oor tot oor.
'Ik heb hem!', riep hij, nog voordat hij de stoel voor mij neerzette. 'En hij doet het nog! Ik heb het al gecontroleerd.'
Ik slaakte een zucht van verlichting, toen ik het vertrouwde kussen weer onder mijn kont voelde.

Nadat ik mijn rugzak over mijn schouders had gedaan, gaf ik de jongen een hand en zei: 'Weet je, nadat ik mijn benen ben verloren, heb ik mij voorgenomen om niet met mijn rolstoel te vergroeien. Ik wil eruit kunnen. Zodra het kan, ga ik op een 'normale' stoel zitten, of op een bank. Eigenlijk is mijn rolstoel alleen om van A naar B te komen. Maar toch: het is meer dan een hulpmiddel. Het hoort bij mij. Zonder rolstoel ben ik niet kompleet. Alleen ben ik nergens. Maar samen komen we overal.'

Dec 9, 2014

De dommigheid van Myrthe van der Meer

Beste Myrthe van der Meer,

Met ontzetting heb ik gekeken naar de manier waarop jij in de uitzending van 'Pauw' (08.12.2014) refereert aan het interview tussen Matthijs van Nieuwkerk en mij in 2012. Dit interview was n.a.v. het uitkomen van mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord.'

De ontzetting ontstond, toen ik je keihard hoorde liegen. Als je het bewuste interview terugkijkt* zul je nl. zien, dat er op geen enkele manier 'lacherig' is gedaan over mijn zelfmoordpoging. Het enige moment waarop er even werd gelachen, was aan het einde van het interview, toen ik vertelde over mijn nervositeit aan het begin van de uitzending. Als een welkome ontlading na de uiterste stilte die al die tijd in de studio heerste.

Feit is dat na het optreden in 'DWDD' er een aantal zelfmoorden meer zijn geregistreerd (6) dan normaal gesproken het geval is op een doordeweekse dag in Nederland, namelijk 2 tot 3. Deze informatie is mij verstrekt door o.a. ProRail.

Tegenover deze 3 zonder enige twijfel uiterst tragische gevallen meer – waarvan niet is na te gaan of ze überhaupt met het interview hebben te maken! - staan meer dan 100 (!) emails die ik heb mogen ontvangen n.a.v. datzelfde interview. In een groot aantal hiervan luidde de boodschap: 'Viktor, dank voor je verhaal. Ik zie nu af van zelfmoord, ik ga op zoek naar hulp.'

Dit laatste bewijst het zogenaamde 'Papageno effect' wat uitgaat van een interview zoals dat in 'DWDD'* heeft plaatsgevonden: praten over de manier waarop iemand over zijn depressie (zelfmoordplannen) is heengekomen, voorkomt verdere zelfmoordpogingen.

Misschien kun je daar eens over nadenken op het moment dat je, zoals je zelf aangeeft, je 'zorgen gaat maken' over het stijgend aantal zelfmoorden.

Met vriendelijke groet,

Viktor Staudt

* https://www.youtube.com/watch?v=24DgKEP4Vsk

Dec 2, 2014

Psychische problemen en de Hollandse onverschilligheid: geen goede combi!

Typisch 'Hollands': als iets teveel geld gaat kosten, wordt er alarm geslagen. Of beter: pàs als iets te veel gaat kosten. Want tot die tijd dicteert een al net zo typisch Hollands fenomeen: onverschilligheid. Oftewel: wat kan mij het schelen, zolang als het mij maar niets kost!

In het buitenland wordt Nederland vaak gezien als het walhalla van 'being open minded'. Of het nu gaat om het drugsbeleid, abortus, of het homo-huwelijk. 'Die Hollanders hebben het toch allemaal maar mooi voor elkaar!', wordt er over de grens gedacht. Maar weinig dingen zijn zo verradelijk als de Nederlandse tolerantie. Want die bestaat nl. niet. Het is onverschilligheid wat de klok slaat. Voorbeeld: 'Wat kan mij het schelen of mijn buurvrouw abortus wil laten plegen? Laat die kinderen toch een jointje roken. Who cares of mijn buurman het met mannen of vrouwen doet?' Allemaal schijntolerantie, want op het moment dat dit 'tolerante' beleid geld gaat kosten, is het land te klein.

Zo ook gisteren (01.12.2014) in 'Eén Vandaag': in het rapport van OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) gaat het over het extreem hoge verzuim in NL n.a.v. psychische klachten, in vergelijking met de rest van Europa.

'Twintig miljard euro zijn u en ik – de Nederlandse belastingbetaler dus - jaarlijks kwijt aan de zorg voor werknemers met psychische problemen.', begint de presentator. De toon is gezet. Want het gaat niet om het feit dat er mensen thuis zitten met psychische problemen, maar om het feit dat dit geld kost. Als het 'slechts' vijf miljard zou kosten, of 1 miljard: was het dan ook een item in 'Eén Vandaag' geweest?

Uit de reportage die volgt, blijkt dat niemand van de deskundigen weet, wat er aan de hand is. Er wordt gegooid met termen als 'depressie', 'werkdruk' en 'pesten en discriminatie op het werk' zonder daarbij enig onderscheid te maken. De voorzitter van de vereniging bedrijfsartsen vat het even samen: 'Op het moment dat het privé goed met je gaat en je hebt een keer een rotdag op je werk, gaat het prima. Andersom, als je thuis een relatieprobleem hebt, maar je hebt veel plezier op je werk, loopt het ook allemaal prima.' Lieve hemel!

Jetta Klijnsma heeft het over 'perspectief bieden' en dat gemeenten bij mensen thuis aan de 'beroemde keukentafel' gaan zitten om te vragen: 'Wat heb jij nou nodig om echt te participeren?' Natuurlijk, Jetta! Een patient met een psychische aandoening heeft helemaal geen dokter nodig! Die weet zelf precies wat er moet gebeuren (medicijnen, therapien enz.) om het weer 'prima te laten lopen'.

Freud en Jung zouden zich omdraaien in hun graf.

Arm Nederland. En arme inwoners, zoals Marieke Sweens en Karin den Oudsten, die als voorbeelden worden aangevoerd van... Ja, van wat eigenlijk? Want wat de kijker niet ziet, is dat zowel Marieke als Karin uitzonderingen zijn. Wie hen op de social media volgt, weet dat beiden met name door een hoge mate van eigen initiatief, er (tenminste gedeeltelijk) bovenop zijn gekomen. Een talent wat lang niet iedereen is gegeven.

Tot slot: dat het aan psychische problemen gerelateerde verzuim in NL maar liefst 33% hoger is dan in de rest van Europa, sluit naadloos aan bij het gegeven dat NL nog altijd niets heeft ondernomen, om aan de rechten van mensen met een beperking ('VN Verdrag voor Rechten van mensen met een beperking') tegemoet tekomen. Wat in de rest van Europa bij wet is vastgelegd (aanpassen van openbaar vervoer, verplichte barrierevrije toegang in de horeca, bouwplannen enz.) is in Nederland nog altijd discussiepunt. Het kost immers geld! En goedkoper is het, om bijvoorbeeld rolstoelers de mogelijkheid te ontzeggen om zonder problemen met de trein te kunnen reizen. Of mensen met psychische problemen, een verblijf in een hiervoor speciaal ingerichte revalidatiekliniek.

En daar verandert geen enkel keukentafelgesprekje iets aan!