Apr 8, 2016

'Flikker op met je kut-rolstoel!' Deel II

Voor deel I, klik hier.

Politie is op het centraal station van Stuttgart niet snel te vinden. Wel medewerkers van de 'Deutsche Bahn', de Duitse spoorwegen. In uniform lijken ze van veraf op politie. Ze lopen rond om de orde te handhaven. Ik spreek hen aan en vertel over het probleem met de taxi chauffeurs.
'Daarvoor zijn wij niet verantwoordelijk.', klinkt het. 'Wij gaan alleen over wat er in het station gebeurt.'

Opnieuw ga ik naar buiten. Op dat moment komt er een politiebusje aanrijden.
'Wat een geluk!', denk ik.

Terwijl een van de agenten (ergens begin 20) uitstapt, zeg ik tegen hem: 'Ik heb uw hulp nodig!'
De jongeman kijkt terughoudend.
Als ik hem vertel dat een taxichauffeur mij niet wil meenemen, haalt hij zijn schouders op.
'Dat hoeft hij ook niet. Een taxi is net als iedere andere zelfstandige winkel. Niet iedereen die binnenkomt moet geholpen worden.'
Ik moet bekennen, dat dit nieuws is. Tot nu toe was ik ervan overtuigd dat een taxichauffeur geen passagiers mag weigeren. Tenzij ze dronken zijn. Of agressief.

De agent loopt met mij mee naar de taxi standplaats. Daar vraagt hij hardop of iemand de beleefdheid heeft om mij mee te nemen. Een aantal chauffeurs meldt zich. Een paar minuten later zit ik in de taxi. De chaufffeur - die ik nog niet eerder heb gezien - wil weten wat er aan de hand was. Ik doe verslag.
'Het is allemaal niet meer zoals het vroeger was.', luidt zijn kommentaar.

De volgende ochtend besluit ik om met de U-Bahn (metro) terug naar het centraal station te gaan. Mijn buik vol van taxi's, heb ik op de 'Marienplatz' de keuze uit twee metrolijnen. Omdat ik niet weet welke richting ik moet hebben om op het centraal station uit te komen, vraag ik dit aan een oudere man die voorbijloopt. Als ik even later in de U-Bahn onderweg ben, informeer ik of deze naar het centraal station rijdt. Dat blijkt niet het geval te zijn. Bij het eerstvolgende station stap ik uit. Daarna stap ik opnieuw in. Maar dit keer in de goede richting.

Korte tijd later kom ik aan op het centraal station. Ik volg het bordje naar de lift. Maar de lift is buiten gebruik. Tenminste, dat lees ik op een bordje dat ernaast staat. Ik druk op een van de knopjes. Misschien werkt de lift ondertussen weer. Je weet maar nooit. Tegelijkertijd speelt door mijn hoofd de vraag, hoe ik vanuit het metrostation in de hal van het treinstation kom, als de lift het echt niet doet? De lift werkt. Dat wil zeggen, ik zie hem in de glazen schacht omhoog en omlaag gaan. Maar de deuren gaan niet open. Direkt naast de deuren hangt een sticker met daarop een telefoonnummer in geval van nood. Ik bel het nummer en zeg dat ik in een rolstoel zit. En dat het lift het niet doet. En of er misschien nog een andere lift is.
'Nee, die is er niet.', antwoordt de man aan de andere kant. 'Kunt u niet met de trap?'
Ik leg uit dat ik geen benen heb.
'Het enige wat ik u kan aanbieden is, dat u met de metro naar het volgende station rijdt. Daar stapt u uit. En dan neemt u de metro terug naar het centraal station. Aan de andere kant van het perron werkt de lift wel.'

Hoewel met de nodige tegenzin, besef ik dat er niet veel anders op zit. Even later kom ik aan bij het volgende station. Wat blijkt? Hier is helemaal geen lift. Nog een station verder dan. Hier is wel een lift. En die doet het ook nog. Een paar minuten later komt er een metro aanrijden, terug richting centraal station. Maar dit keer is de afstand tussen het perron en de wagon wel erg groot. Dat ga ik niet in mijn eentje redden. Geen probleem, denk ik. Want ik weet dat op elk metrostations waar een lift is, de bestuurder altijd een (rij)plank bij zich heeft.

Ik klop tegen het raampje, vooraan de metro. De bestuurder opent het raampje en vraagt wat er aan de hand is. Ik zeg dat ik de rijplank nodig heb om in te kunnen stappen.
'Die kan ik niet uitleggen vandaag. Ik heb pijn in mijn rug.', antwoordt hij doodleuk.
Ik ben verbaasd. Waarom rijdt deze man op deze lijn, als hij niet in staat is om zijn werk te doen? Het helpen van rolstoelrijders (en andere minder validen) bij het in- en uitstappen is namelijk onderdeel van zijn taak.
'Wacht maar op de volgende metro. Of vraag iemand anders!', roept de man, waarna hij het raampje dichtdoet.
Ik voel mij verlaten. En een tikje wanhopig. Al is het alleen maar omdat ik weet dat ik een trein moet halen om op tijd in Baden-Baden aan te komen voor de opname van het interview. Wachten op een volgende metro – hoe snel die ook zou arriveren – wil ik niet.

Op dat moment komt er een aantal passagiers naar mij toe. Zij hebben het gesprek tussen mij en de bestuurder gehoord. Ze vragen mij hoe ze mij kunnen helpen. Ik leg uit wie mijn rolstoel waar moet vastpakken. Ik zie hoe wildvreemden in al hun hulpbereidheid, links en rechts mijn rolstoel oppakken. En om te voorkomen dat ik straks ineens ondersteboven kom te hangen... Maar het komt goed. Even later zit ik in de metro.

Op het centraal station kan ik eindelijk met de lift naar boven. Als ik bij het loket van de 'Deutsche Bahn' aankom, is mijn trein net drie minuten daarvoor vertrokken. Ik leg uit dat ik te laat ben, omdat de lift in het metrostation niet werkt. Ik vraag of ik met een volgende trein meemag. Maar mijn kaartje is alleen geldig voor de trein die net weg is.
'Dat de lift niet werkt, is niet onze schuld.', antwoordt de man achter het loket. 'Voor de lift is de gemeente Stuttgart verantwoordelijk.'
Ik zeg dat ik dat begrijp. Ondertussen laat ik op mijn telefoon de foto zien die ik heb gemaakt van het bordje bij de lift, waarop staat dat deze niet werkt. De medewerker kijkt er langdurig naar. Nog met mijn telefoon in zijn handen, belt hij met een collega. Na een kort gesprek heeft hij goed nieuws: ik mag mee met de volgende trein, zonder bijbetaling.




Een uurtje later is het zover. In de tussentijd heb ik de SWR in Baden-Baden geinformeerd over mijn vertraging. De DB medewerker helpt mij aan boord van de trein.
'Tegen de conducteur heb ik gezegd, dat u met een kaartje voor de vorige trein aan boord zit. En dat dat ok is.'
Ik bedank de man voor zijn hulp. Hij zegt dat hij dat graag heeft gedaan. Hoewel het aan het begin wat stroef verliep allemaal, geloof ik dat hij meent wat hij zegt.

Als tien minuten later de conducteur langskomt, laat ik hem mijn kaartje zien.
'Dat is niet geldig in deze trein.', zegt hij plompverloren. Tegelijkertijd haalt hij zijn bonnen-boekje tevoorschijn.
Ik zucht diep.
'Maar ik was te laat in Stuttgart, want de lift deed het niet en...', leg ik uit. 'En op het station hebben ze mij gezegd, dat ze u zouden informeren!'
De man, die ik rond de dertig schat, schudt zijn hoofd.
'Ik weet van niets.', zegt hij. 'U moet het verschil bijbetalen. Plus een boete. Achteraf kunt u via een aangetekende brief een klacht indienen.'
Opnieuw slaak ik een diepe zucht.
Dan zeg ik: 'Ik betaal helemaal niets. U kunt mij bij het volgende station eruit zetten. Dan bel ik de 'Bild Zeitung', de 'Stuttgarter Zeitung' en de SWR redactie. Overigens ben ik onderweg naar de SWR. En dan ga ik utigebreid vertellen over de schandalige manier waarop ik word behandeld.'
Tegelijkertijd laat ik hem de 'ausser Betrieb' foto op mijn telefoon zien.
Mijn korte maar krachtige uiteenzetting schijnt effect te hebben. De conducteur zegt dat hij het voor deze keer door de vingers ziet. Maar niet zonder erbij te vermelden, dat hij mij de volgende keer wel degelijk een boete zal geven.
Hoofdschuddend stop ik mijn kaartje en telefoon in mijn tas. Op dat moment hoor ik de stem van een vrouw, die aan de overkant van het gangpad zit.
'Bent u Viktor Staudt?'
Als ik opkijk zie ik het vriendelijke gezicht van een jonge vrouw. Ze laat mij haar tablet zien waarop een website met daarop het cover van mijn boek.
'Ik dacht al dat u het was, toen ik u binnen zag komen. Maar ik wist het niet zeker. Daarom heb ik u even gegoogled.'

In Karlsruhe moet ik overstappen. Het is een moderne, regionale trein. Vooraan is een instapmogelijkheid gebouwd voor rolstoelrijders. De conducteur hoeft alleen maar een sleutel in een contact te steken en om te draaien. Daarna schuift er automatisch een plank vanuit de wagon iets omhoog en dan het perron op. Op die manier kan elke rolstoelrijder zonder problemen naar binnen rijden. En weer naar buiten.
Als ik aankom bij de bewuste wagon is de plank nog niet uitgeschoven. De conducteur roept mij tegemoet: 'Die rolstoel krijgen we er zo ook wel in!'
Ik vermoed dat hij daarmee wil zeggen: ik heb geen zin om die plank uit te klappen. Ik pak de achterkant van uw stoel wel beet en sleur u zo de trein in. Dat daardoor mijn banden een oplazer krijgen – en eventueel zelfs kapot kunnen gaan – is blijkbaar niet van belang.

Lang hoef ik over zijn voorstel niet na te denken. Nog volop in beweging en voordat ik goed en wel voor de wagon sta, antwoord ik: 'Absoluut niet. Ik wil die plank gebruiken. Die is er voor gemaakt.' Zwijgend en met een verergerd gezicht, zie ik de conducteur naar zijn sleutelbos grijpen. Een paar minuten later vertrekt de trein naar Baden-Baden.

Als ik een blik werp op mijn telefoon, zie ik dat ik een mailtje van de 'Deutsche Bahn' heb gekregen. 'De door u aangevraagde treinverbinding morgen, van Baden-Baden naar Stuttgart luchthaven, is komen te vervallen. Wij vragen u dringend contact met ons op te nemen.'
Het telefoonnummer wat volgt, kan ik niet bellen. Ik heb een Italiaanse telefoon. Weliswaar met 'roaming'. Maar dat geldt weer niet voor servicenummers zoals die van de 'Deutsche Bahn'.

Op het station Baden-Baden staat de chauffeur van de SWR al op mij te wachten. Gelukkig heb ik onderweg kunnen doorgeven, dat ik vertraging had. Gevolg is wel dat we nu moeten opschieten. Maar ik moet toch echt eerst naar het loket van de 'Deutsche Bahn'. Anders heb ik morgen geen trein terug naar de luchthaven!

Eenmaal aan de beurt belt de vriendelijke dame met haar collega van de mobiliteitscentrale: de afdeling die alles regelt voor treinpassagiers in een rolstoel (of met rollator). Het gesprek duurt ruim vijf minunten. Een gevoelde eeuwigheid. Ik zie de chauffeur van de SWR buiten op de parkeerplaats voor het station naast zijn auto staan. Hij kijkt naar mij. Ik probeer door middel van gebaren duidelijk te maken dat ik er niets aan kan doen. En dat ik mijn best doe om op te schieten.

Dan hangt de vriendelijke DB-medewerkster op. Ik kijk haar aan. Ik hoop dat ze goed nieuws voor mij heeft.
'Mijn collega heeft u een email gestuurd.', zegt ze.
Ik kijk direct op mijn telefoon. Maar ik heb geen email gehad. Behalve dan de email waarin staat dat ik contact moet opnemen met de DB.
'Nee. Mijn collega heeft u daarna nog een mail gestuurd.', beweert ze.
Ik kijk nog een keer. Maar ook dit keer zie ik geen email van de mobiliteitscentrale.
'Kunt u mij zeggen misschien, wat er in de mail staat?', vraag ik.
Ondertussen beginnen de eerste zweetdruppeltjes zich op mijn voorhoofd af te tekenen.
Er zouden die dag nog vele volgen.
De dame kijkt mij aan en zegt: 'Nee. Dat weet ik niet.'

Langzaam begint een wanhoop zich van mij meester te maken. Wat moet ik nu? Ik kan niet weg voordat ik weet, hoe ik morgen terug naar Stuttgart Flughafen kan komen. Het vliegtuig vertrekt om 19:20 uur. Het moet toch mogelijk zijn om uiterlijk twee uur ervoor in Stuttgart aan te komen? Wat er nog bijkomt: ik weet dat de mobiliteitscentrale om 22:00 uur sluit. De assistentie moet ik een dag van te voren aanvragen. En vanavond heb ik geen tijd meer. Want dan ben ik in de studio van de SWR. Het is dus nu of nooit.
'Kunt u alstublieft nog een keer bellen met uw collega?', vraag ik aan de mederwerkster achter het loket.
Dat doet ze zonder enig protest. Daarna geeft ze de telefoon aan mij.
'Het is misschien beter als u direct zelf met de mobiliteitscentrale spreekt. Om alles te regelen.'
Dat lijkt mij een uitstekend plan. Het kost tijd, maar uiteindelijk komt alles voor elkaar. Ik heb een treinresevering voor morgen, van Baden-Baden naar de luchthaven van Stuttgart.

'De rit naar het hotel zal iets langer duren dan gebruikelijk.', zegt de chauffeur. 'Dat komt omdat er wordt gebouwd in Baden-Baden. En een omweg is er niet. Daar staat ook alles vast.'
Ik kijk op de klok en zie dat ik nog twintig minuten de tijd heb, voordat ik in de studio moet zijn.
'Ik wil alleen graag nog even douchen, mijn tanden poetsen en mij scheren. En dan ben ik klaar.', mompel ik.
De chauffeur zegt dat dat geen probleem is. Hij kan mij zelfs nog tien minuten langer geven. Wat een opluchting!

Eenmaal in de kamer van het 5-sterren (!) hotel, duik ik meteen de badkamer in. De douche is 'drempelvrij'. Maar er staat geen plastik stoel onder. En er hangt ook geen zitje aan de wand, wat je kunt omklappen. Detail: dit klapstoeltje heeft er zeer waarschijnlijk ooit wel gezeten. De dichtgestopte pluggen zijn nog zichtbaar. Ik bel naar de receptie en vraag om 'een-stoel-voor-onder-de-douche'.

Even later klopt er iemand aan de deur van mijn kamer. Daar staat een medewerker van het hotel met in zijn handen een groot uitgevallen wijnkoeler.
'Ik kon zo snel niets anders vinden.', zegt hij verontschuldigend. 'Maar dit kan misschien ook?'
Omdat ik weet dat de tijd dringt, neem ik de 'wijnkoeler' aan. De deur sla ik dicht. De koeler zet ik op de grond. Want daar heb ik natuurlijk helemaal niets aan.

Uiteindelijk ga ik onder de douche op de vloer zitten. Het huilen staat mij nader dan het lachen. Ik overweeg om de opnamen van vanavond af te zeggen. Maar ik weet dat de mensen die op mij wachten in de studio, hier ook niets aan kunnen doen. Afzeggen maakt het alleen nog maar erger. Een klein kwartier later ben ik beneden in de hal van het hotel. Fris gedoucht en geschoren. En mijn tanden heb ik ook nog gepoetst.

De volgende ochtend word ik op het station van Baden-Baden door een medwerkerster naar het juiste perron begeleid voor de trein naar Karlsruhe. Omdat de lift aan het einde van het perron is, moeten we helemaal heen en weer lopen. Euh... rijden.
Als we uiteindelijk zijn aangekomen, gaat haar telefoon. Nadat ze heeft opgelegd kijkt ze mij aan.
'Het spijt me.', zegt ze. 'Maar de trein komt op het andere perron aan. We moeten weer terug.'
Even grijpt mij de angst bij de keel. Het zal vandaag toch niet een herhaling worden van gisteren? Hoe sterk is die wet van Murphy eigenlijk?

In Karlsruhe kan ik probleemloos overstappen. Eenmaal in de juiste wagon aangekomen, wil ik mijn tas op de grond zetten. Dan zie ik ineens die vriendelijke jongedame die gisteren ook bij mij in de trein zat.
'Hoe is het mogelijk?!', roepen we bijna tegelijkertijd uit.
De rit naar Stuttgart verloopt soepel. We praten aan een stuk door. We blijken elkaar een hoop te vertellen te hebben. Als ik in Stuttgart uitstap, geef ik haar mijn email adres. En een paar dagen later stuurt ze mij een berichtje. Een nieuwe vriendschap is geboren.

Apr 6, 2016

'Flikker op met je kut-rolstoel!' Deel I

Dat het nog weleens wil ontbreken aan bewustwording wanneer het gaat om de gehandicapte medemens, is bekend. De manier waarop ik als rolstoelrijder hier onlangs mee werd geconfronteerd, is op z'n minst verfrissend te noemen.

Vorige week woensdagavond belandde ik kort voor middernacht op het centraal station van Stuttgart. Ik was onderweg voor de opname van een tv interview. Voor het station stond een reeks taxi's. Met zojuist twee korte vluchten en een treinreis achter de rug, besluit ik voor de laatste kilometers naar het hotel, mijzelf een taxi te gunnen.

Met een vermoeide maar vriendelijke blik vraag ik aan de chauffeur van de eerste wagen vooraan in de rij, of hij mij naar de 'Marienplatz' kan brengen. De man, waarvan ik op grond van zijn manier van spreken vermoed dat hij een, zoals ze dat in Duitsland noemen, immigratie-achtergrond heeft, antwoordt: 'Rolstoel gaat niet.'

Het is niet de eerste keer is dat een taxichauffeur mij als rolstoelrijder botweg weigert mee te nemen. Zonder mij over zijn antwoord op te winden, leg ik kort en duidelijk uit dat ik mijn rolstoel heel klein kan maken (de wielen kunnen eraf, de rugleuning naar voren). Op die manier moet het toch mogelijk zijn om mij mee te nemen. Maar de chauffeur, die ik ergens rond de 30 schat, volhardt.
'Niet met rolstoel. Ga maar naar collega met grote auto!'

Ik haal mijn schouders op en besluit mij er niet over op te winden. Het late tijdstip helpt mee. Ik ben moe en wil alleen nog maar naar mijn bed toe.

De collega-met-grote-auto (combi) staat een paar wagens verderop. Als ik aan hem vraag of hij mij naar de 'Marienplatz' wil brengen, vraagt de oudere man met een onvervalst locaal accent waarom zijn andere collega, die vooraan in de rij staat, dit niet doet.
'Hij zegt dat mijn rolstoel niet meekan.', antwoord ik. 'Hoewel ik heb hem verteld dat dat geen probleem is.'
Vervolgens leg ik opnieuw uit, hoe mijn rolstoel in werkelijk de kleinste Mini ter wereld kan worden meegenomen.
Daarna loopt de oudere man voren. Een discussie tussen beide chauffeurs volgt. Ondertussen ben ik erbij komen staan.
'Rolstoel niet mee. Vanochtend ik problemen met rolstoel.', oppert de eerste chauffeur.

Dan vraagt de oudere chauffeur of ik nog een keer aan zijn jongere collega wil uitleggen, hoe hij mijn rolstoel wèl kan meenemen. Hoewel met groeiende ergernis en een ietswat verhoogde hartslag, voldoe ik aan dit verzoek. Maar heb ik net voor de derde keer uitgelegd hoe ik de wielen van de stoel kan halen en de rugleuning naar voren klappen, vraagt de onwillige chauffeur: 'Rolstoel samenklappen?'

Omdat ik ook maar een mens ben - en omdat het een lange dag is geweest - roep ik uit: 'Nee idioot! Ik heb al drie keer gezegd: ik kan de wielen eraf halen en de rugleuning naar voren klappen!'
Als door een adder gebeten doet de chauffeur een stap naar achteren en roept dat hij aggresieve klanten niet meeneemt!
Ik kijk om mij heen. Waarschijnlijk hoop ik dat een van de andere chauffeurs mij te hulp schiet. Maar tevergeefs. Ze staan erbij en kijken ernaar.
Ik roep dat ik het schandalig vind dat niemand mij wil meenemen. Nog steeds zonder enige reactie van de dienstverleners, kondig ik aan, dat ik de politie erbij ga halen. Als ik mij omdraai om opnieuw het stationsgebouw binnen te rijden, op zoek naar de Polizei, hoor ik de chauffeur van de eerste wagen roepen: 'Flikker op met je kut-rolstoel!'

Wordt vervolgd.

Voor deel II, klik hier.

Jan 19, 2016

In Italië kunnen rolstoelrijders gratis naar het voetbal!

In Nederland wordt weer eens gedebatteerd over het wel of niet ratificeren van het 'VN Verdrag voor de Rechten van Gehandicapten'.

Dit verdrag heeft als doel de rechten van mensen met een beperking te bevorderen, te beschermen en te waarborgen. In het verdrag staat wat de overheid moet doen om ervoor te zorgen dat de positie van mensen met een beperking verbetert. Ook verplicht het tot het uitbannen van discriminatie door bijvoorbeeld scholen of werkgevers. (bron: mensenrechten.nl)

Als full-time rolstoelrijder (beenamputaties) heb ik het geluk niet meer in Nederland te wonen. Nederland is nl. het minst toegankelijke land van Europa. Dit baseer ik niet alleen op eigen ervaring (toegankelijkheid NL <-> toegankelijkheid Europese landen), maar ook op het feit dat Nederland het eerder genoemde verdrag, nog altijd niet in wetgeving heeft omgezet.

Voor een overzicht van alle VN lidstaten en datum ratificatie, klik hier.

Hoe het wel kan, zien we in het (Europese) buitenland. In Duitsland en België is het verdrag al in 2009 in wetgeving omgezet. Zelfs in Iran en Iraq hebben ze de toegankelijkheid sneller voor elkaar gekregen!

Wat opvalt is, dat toegankelijkheid verder gaat dan een brede toiletdeur of een opritje bij de ingang. Toegankelijkheid betekent ook: vergroten van de mogelijkheid tot deelname aan het sociale leven. Want die deelname kost geld. Een tegemoetkoming aan de mindere verdienstcapaciteit van gehandicapte personen, is geen overbodige luxe.

Voorbeeld: in het 'Concertgebouw' in Amsterdam betaalt een rolstoelrijder de volle prijs voor een kaartje. Ook de persoon die hem of haar (noodzakelijkerwijze) begeleidt, krijgt geen korting. Terwijl in de 'Alte Oper' in Frankfurt de toegang voor rolstoelrijders gratis is! En de persoon die hen begeleidt, betaalt slechts 50%! Kaartjes voor voetbalwedstijden in de Italiaanse eredivisie zijn gratis voor zowel rolstoelrijder, als begeleidpersoon. In Engeland bestaat voor privé-clubs en verenigingen met meer dan 25 leden de verplichting, om de toegankelijkheid te waarborgen.

In Italië gelden gereduceerde tarieven voor rolstoelrijders die met de trein reizen. Overigens zijn praktisch alle treinen toegankelijk. Dat betekent dat je niet verplicht op het balkon moet blijven. Je kunt net als alle andere reizigers in de wagon plaatsnemen. Een toegankelijk toilet is vanzelfsprekend.

Verder zijn vrijwel alle Italiaanse parkeergelegenheden kostenloos. In de rij bij de kassa in de supermarkt, op het postkantoor, luchthaven en op treinstation krijgen rolstoelrijders voorrang. En niet omdat rolstoelrijders zielig zijn, maar omdat langdurig zitten in een rolstoel nu eenmaal een ongemak betekent. Alles wat gedaan kan worden om dit ongemak te beperken of te verkleinen, stimuleert en verbetert deelname aan de maatschappij. En niet alleen voor de rolstoelrijder zelf, maar ook voor allen in de directe omgeving (familieleden, vrienden, collega's).

Sep 13, 2015

Het inconsequente gedrag van Jan Mokkenstorm

Beste Jan,

om maar meteen met de deur in huis te vallen: je weet dat ik een diepe buiging voor je maak, als het gaat om datgene waarvoor je je inzet: de suïcide preventie. En een diepe buiging is in mijn geval niet eenvoudig. Op dat moment zit ik zo ongeveer dubbelgeklapt in mijn rolstoel. Maar dat heb ik er graag voor over.

Totdat ik vanochtend werd gewezen op een artikel in 'Vrij Nederland' van 10 september jl. Hierin wordt gesproken o.a. over het zogenaamde copycat ('Werther effect') n.a.v. berichtgeving over zelfmoorden. Jij zegt daarin: 'Hetzelfde gold voor die keer dat de schrijver Viktor Staudt het verhaal van zijn zelfmoordpoging in het Amstelstation mocht vertellen in DWDD. De nacht daarop waren er aanzienlijk meer suïcides op het spoor dan gemiddeld.'

Ten eerste was het niet op station Amstel dat ik voor de trein sprong, maar bij station Rai. Maar veel belangrijker vind ik dat je hier inconsequent bent. Des te meer omdat we het hier al vaker over hebben gehad (zie mijn open brief aan jou van 15.12.2012)

Inconsequent: sinds 2009 is het aantal suïcides in NL per jaar alleen maar toegenomen, met uitzondering van een lichte daling in 2014 t.o.v. 2013. Het absolute aantal suïcides echter, is fors gestegen. Desondanks zou ik het niet in mijn hoofd halen om in een interview te beweren, dat dit komt omdat jouw '113online' website foto's van triest kijkende mensen laat zien, die zeggen dat ze eigenlijk wel klaar zijn met leven. Want ik weet dat naast de toename van de suïcides er ook een hoop zelfmoorden zijn voorkomen, juist door jullie inzet.

Maar mij verwijt je opnieuw een (kortstondige) toename van het aanzal zelfmoorden. En daar laat je het bij. En dat vind ik niet in orde.

Natuurlijk, elke suïcide is er eentje teveel. Echter: na dit bewuste interview in DWDD, heb ik een aantal emails heb ontvangen van mensen, waarbij de strekking neerkwam op: 'Viktor, ik heb je verhaal gehoord. Ik heb je begrepen. Ik ga (opnieuw) op zoek naar hulp.' En als ik nu even een ijskoude optelsom mag maken: het aantal van deze mails is groter dan het aantal 'extra' zelfmoorden welke plaatsvond in de 24 uur na de uitzending.

Nogmaals: elke zelfmoord is er een teveel. En de inhoud van het bewuste interview verdient wellicht niet de schoonheidsprijs: het ging hier met name over de methode. Daarbij komt dat ik te onervaren was in de omgang met de media, om het gesprek in een andere richting te draaien. Hoe dan ook: om alleen te vermelden dat het aantal suicides kortstondig is gestegen, doet geen recht aan dit bewuste interview. En al helemaal niet aan mijn inzet.

Ti saluto!

Viktor

P.S. Woensdag 16 september a.s. geef ik een lezing aan het LUMC, te Leiden. Jouw collega Alexandra de Raadt zal daar ook zijn, naar ik heb begrepen. Als de tijd het toelaat, zal ik de gelegenheid aangrijpen hier met haar over te praten.

Aug 10, 2015

Over vooroordeelhomo's met bloten billen en meer maandag ellende

Alsof de temperatuur al niet zomers genoeg is, lopen de gemoederen op deze maandag in augustus weer eens hoog op. Terwijl over het neerstorten van MH17 schijnbaar alleen maar in het diepste geheim kan worden gesproken, en Marc de Hond bijna over de voorwieltjes van zijn rolstoel struikelt terwijl hij zijn Parnassia-momentum grijpt ('Sindsdien wordt het stuk (zijn blog van dag ervoor, red.) zo vaak gedeeld dat mijn provider moeite heeft om mijn website in de lucht te houden.'), voelt een aantal homoseksuelen zich gestigmatiseerd door een artikel op de site van RTV NH.

Of eigenlijk gaat het meer om de foto bij het artikel, dat de grote populariteit van de door de GGD Amsterdam doorgevoerde proef met het medicijn Prep beschrijft. Prep is een middel dat de besmetting met hiv zou moeten verkleinen. Opmerkelijk is dat in de loop van de dag de foto werd vervangen door die van een potje pillen. Waarom deze wijziging?

Wellicht heeft het te maken met het feit dat kort na het verschijnen van de foto van de man-met-blote-billen-broek, op Twitter een kleine storm van protest losbarstte. De foto zou stigmatiserend zijn. Er zou sprake zijn van beeldvorming. En - echt waar - iemand schreef: 'Dit is niet dé homo. Dit is de vooroordeelhomo.'

Maar wat wil deze groep nu eigenlijk? Van twee walletjes eten? Aan de ene kant moet het homo-zijn uitgebreid worden gevierd. Of de acceptatie ervan. Of de niet voldoende acceptatie ervan, maar dat wordt dan niet gevierd natuurlijk, dat moeten worden verholpen. En dat alles noemt men een GayPride. Zoals een van de protestmakers omschreef: 'de diversiteit van de gehele LHBT gemeenschap!' In de praktijk is het een bonte optocht door Amsterdam, elk jaar opnieuw. En wie zegt last te hebben van kotsende en wild om zich heen pissende toeschouwers, die zeurt ('Een Vandaag', 07.08.2015).

Maar nu er een foto, waarschijnlijk gemaakt tijdens diezelfde GayPride, wordt gebruikt bij een artikel dat gaat over een medicijn dat homoseksuelen als doelgroep heeft, is er plotseling een probleem. De foto laat drie mannen zien, onherkenbaar. Een van hen heeft een leren, kontloze broek aan. Deze foto zou dus stigmatiserend zijn. Van de eerder geroemde diversiteit blijft bitter weinig over. Want: 'zo zijn niet alle homo's', twittert iemand. Een ander heeft het over 'de doorsnee homo'. En 'Blote billen hebben niks met hiv te maken.' Tja.

Aan de ene kant moet de Gaypride - met alles erop en eraan - kunnen. En wie erover klaagt, die zeurt. Maar oh wee als een foto van feestvierende Gaypride bezoekers bij een artikel over een Prep-trial in Amsterdam wordt geplaatst. Op dat moment schijnen er ineens 'doorsnee homo's' en 'vooroordeel homo's' te bestaan. Oh ja, iemand sprak ook nog de twijfel uit of de mannen op de gewraakte foto überhaupt wel homoseksueel zouden zijn?

Tot slot: m.b.t. het Parnassia-rolstoel-incident wilde ik mij tot de volgende vaststelling beperken: in Nederland is (rolstoel)toegankelijk een niet bestaand thema. Een zogenaamd 'non-issue'. Dat blijkt alleen al uit het feit dat Nederland als een van de laatste landen wereldwijd, het 'VN Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking' nog altijd niet heeft geratificeerd. Ronduit schandalig. Wie hierover meer wil weten, leest hier verder.

Jun 21, 2015

Terug naar het oude huis

Je kunt denken dat je hebt afgesloten met wat je hebt meegemaakt, en dat je klaar bent met het verleden. Maar dat hoeft nog niet te betekenen, dat het verleden ook klaar is met jou. Het wacht op het juiste moment, om je voor een laatste keer te confronteren. En dat moment komt, al of niet onverwachts, en al of niet zo fijntjes geregisseerd als mij vandaag overkwam.

Onderweg in Amsterdam, met achter mij aan een tv team van de Duitse 'WDR', ging ik vanochtend naar station 'Amsterdam RAI'. Voor wie het niet weet: hier ben ik op een vrijdagmiddag in november 1999, voor een aanstormende Intercity gesprongen. Later vandaag stond het Vondelpark, de plek waar ik jarenlang heb hardgelopen, op het programma. Op zich niks nieuws. Al vaker ben ik n.a.v. mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord' met een tv team door de stad getrokken, waar ik vanaf eind jaren '80 tot eind jaren '90 heb gewoond.

Na het treinstation gingen we op bezoek bij de politieagent die destijds als eerste ter plaatse was. Hij is diegene die het doek wat de conducteur over mij had heengelegd, in de veronderstelling dat ik was overleden, heeft opgetild. Daarop stelde hij vast dat ik nog leefde. De bewuste agent heb ik eerder ontmoet (De Reunie). Toen kwam hij naar mij toe, in Italie. Dit keer ging ik naar hem.

Op het bureau aan de Leijenburghlaan werd ik hartelijk begroet Een van zijn collega's, een vrouw van middelbare leeftijd, die aanwezig was bij een van mijn allereerste en toen nog ietswat stroef verlopende lezingen (politieacademie Ossendrecht), herkende mij direkt.
'Vanochtend had ik het nog over je!', zei ze en vertelde, hoe weer een andere collega had opgemerkt: 'Hoe kan iemand toch zoiets doen, zelfmoord plegen?' Dit n.a.v. een recent voorval in de wijk.
Daarop had zij geantwoord dat ene Viktor Staudt daar een heel boek over heeft geschreven.

Van daaruit leidde de route naar het Vondelpark langs de Hemonystraat. Bijna tien jaar heb ik hier gewoond, voordat ik die vrijdagmiddag in november de deur achter mij dichttrok, om vervolgens op weg te gaan naar station RAI.

Het was niet de eerste keer 'ever since' dat ik het huis zag, waar ik zoveel goede en slechte tijden heb beleefd. De eerste keer was direct na mijn interview in 'DWDD', de dag waarop mijn boek in Nederland verscheen. Toen was het pand nog precies zoals ik het had achtergelaten. Met dit verschil: het stond leeg. Alles was donker. Het zou worden gesloopt, heette het. Een jaar of wat later heb ik het opnieuw gezien, slechts in het voorbijgaan, rijdend over de Stadhouderskade. Toen stond het in de steigers. Nu was het volledig gerenoveerd, omgetoverd tot schitterende appartementen. Maar met alle originele details behouden, waardoor het mij zo bekend voorkwam. Alleen veel mooier dan ik het ooit heb gezien. Het zilverkleurige huisnummer glimde in de schaarse lentezon.

'Kunnen we je filmen terwijl je ons vertelt over je vroegere woning?', vroeg de reporter van de WDR. Daarop reed ik over de rolstoeltoegankelijk (!) gemaakte stoep van de Hemonystraat. Even leek het alsof ik maar kort ervoor was weggegaan. Alsof ik weer thuiskwam. Bijna. En alles was nieuw. Zelfs de oude herinneringen, terwijl ze in sneltreinvaart door mijn hoofd raasten, leken als gebeurtenissen van gisteren. Met meer bloemen in de straat dan ik daar ooit in al die jaren bij elkaar heb gezien, schroomde ik om over te steken en de voordeur aan te raken. Dezelfde deur die ik bijna zestien jaar geleden zo definitief achter mij had dichtgetrokken. Maar ik deed het toch. Juist op dat moment kwam een jongeman aanwandelen, met naast zich een hond.

'Ik heb hier gewoond.'; vertelde ik hem, nadat hij had gehoord hoe ik de reporter over het gebouw vertelde. 'En nu maken we een documentaire voor televisie.'
Uit zijn reactie merkte ik op, dat hij mij niet eerder had gezien.
'Wil je misschien even binnenkijken?', vroeg hij. 'Om te zien hoe het is geworden!'
Ik zei dat ik niet op de begaande grond, maar op de eerste en later op de tweede verdieping heb gewoond.
'Heb je het huis ooit gezien, nog voordat het gerenoveerd is?', vroeg ik op mijn beurt.
De jongeman, ergens eind 20 vermoed ik, schudde zijn hoofd.
'Toen waren het niet meer dan kamers, met elk een badkamer op de gang.', vertelde ik. 'Het is heel vroeger een hotel geweest. En daar verderop, daar zat een bakkerij. En daar tegenover een snackbar.'
'De snackbar is weg.', antwoordde hij. 'Dat is nu een goed restaurant geworden.'
De onbekende man met hond wilde weten waarom ik ooit was weggegaan.
Daarop besloot ik hem mijn verhaal te vertellen.
Hij reageerde geinteresseerd.
'Ik wil je boek wel lezen. Hoe heet je precies?'
We namen afscheid en ik gaf hem een hand. Opnieuw vroeg hij naar mijn naam.
Ik gaf hem de titel van mijn boek. 'Dat is makkelijker te onthouden!'

Eenmaal terug in de auto, vroeg de reporter van de WDR: 'Hoe vond je het, om opnieuw het oude huis te zien?'
Even moest ik nadenken.
oen antwoordde ik: 'Het is goed zo.' In mijn stem klonk een welgemeende berusting.
'Er is een 'nieuwe Viktor' gekomen. En ik hoop dat hij kan genieten van alles wat het leven hem daar te bieden heeft, zonder dat een depressie er een donkere schaduw overheen werpt.'

Vanavond, eenmaal terug in mijn hotelkamer, vroeg ik mij af of het nu een goede, of juist slechte dag was geweest. Waren de goede herinneringen aan de Hemonystraat, overmatig gevoed door de bloemrijke, lenteachtige omgeving, zo sterk dat ze niet alleen de slechte herinneringen wisten te verdringen, maar ook een verlangen naar een 'reprise' - maar dan zonder depressie - konden opwekken? Het antwoord volgde toen ik mijn koptelefoon opzette en de muziek startte. Minder dan een minuut later liepen de tranen over mijn wangen en kromp ik ineen, volledig overweldigd door emoties.

Kort erop ontving ik een WhatsApp van een zwem-maatje. Gaan onze berichtjes normaal gesproken alleen over wanneer we naar het zwembad gaan, stuurde hij mij deze avond een foto van de zonovergoten heuvels rondom Bologna. Schijnbaar zonder reden. Zomaar. De tekst onder de foto luidde: 'Prettige zondag. En ik hoop dat je snel weer naar huis komt!'

Het verleden, althans wat Amsterdam betreft, is nu wel klaar met mij.
Maar de toekomst nog lang niet.

Mar 29, 2015

Deppen, Viktor! Niet wrijven, anders word je zo rood in je gezicht!

'Kan die tunnel, de tunnel uit de zogenoemde tunnelvisie bedoel ik, echt zo enorm lang zijn?', vraagt de journaliste mij.

Het gaat over de neergestorte Airbus van Germanwings en de tot nu toe aangenomen oorzaak: een door psychische aandoeningen tot zelfmoord gedreven piloot.
'Ik ben geen psychiater en ook geen psycholoog.', antwoord ik. 'Maar op grond van wat ik zelf heb meegemaakt en gelezen in de mails die mij de afgelopen twee jaar hebben bereikt, wil ik het zeker niet uitsluiten.'

De journaliste die tegenover mij zit, maakt een aantekening. Naast haar staat de cameraman. Daarnaast de jongedame die het geluid regelt. Omdat we filmen in een kleine ruimte ergens achterin een café, hebben ze een zeer felle lamp opgesteld, gericht recht in mijn gezicht. Tesamen met de donkere, afgesloten ruimte om mij heen, lijkt het alsof ik word vehoord.

'Je hebt wat zweetdruppeltjes op je lippen.', zegt de cameraman en vraagt of ik even wil deppen met een servetje. 'Maar niet wrijven!', roept hij erachteraan. 'Anders wordt het helemaal rood!'
Eerlijk gezegd valt het mij nog mee dat ondertussen het water niet in straaltjes over mijn hoofd loopt.
'U zegt weleens, dat u niet aan de machinist heeft gedacht, toen u voor de trein sprong.', gaat de journaliste verder. Ze is vrij jong. Ik schat haar ergens begin 20. Is ze niet te jong voor dit soort dingen, vraag ik mij af. Maar veel tijd om daarover na te denken heb ik niet.
'Waarom heeft u niet aan de maschinist gedacht?', wil ze weten.
'Ik denk dat ik als ik überhaupt nog aan de machinist had kunnen denken, ik niet was gesprongen.', antwoord ik. 'Op het moment dat iemand een einde aan zijn leven maakt, heeft hij al lang afscheid genomen van alles en iedereen om hem heen. Dan is er niets meer. En de trein, die is op dat moment alleen nog maar een middel om je doel te bereiken.' Net als een vliegtuig, denk ik erachteraan. Maar ik hou het voor me.
De cameraman maakt weer een gebaar.
'Je neus, Viktor. Je neus!'
Voorzichtig dep ik links en rechts op mijn gezicht. Vervolgens houd ik de inmiddels tot prop verfrommelde servet in mijn handen, die ik in mijn schoot leg.

'Als u kijkt naar de mensen om u heen, heeft u dan spijt wat u hen heeft aangedaan, namelijk door voor de trein springen?', vraagt de jonge vrouw.
Wat moet ik daar in Godsnaam op antwoorden? Kies ik het politiek correcte 'Ja, natuurlijk heb ik spijt! Het spijt me heel erg!'? Of ik antwoord ik naar waarheid en zeg: 'Nee, ik heb geen spijt. Ik weet nu dat ik toen niet anders kon. Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen, dat je altijd een keuze hebt. Maar dat ik is niet zo. Als alle eenzaamheid en wanhoop bij elkaar zo groot zijn dat je niet anders meer kunt, dan blijft er geen keuze meer over.'

Opnieuw denk ik aan de foto's van Andreas L. die ik in de media heb gezien. Ik zie een jonge, sportieve man die veel gaat hardlopen. En die lacht als hij tijdens een vakantie wordt gefotografeerd. En die in de laatste dagen van zijn leven een auto schijnt te hebben willen kopen voor zijn vriendin. Maar die tegelijkertijd een felle strijd tegen zijn onzichtbare vijand leverde. In sommige berichten wordt gesproken over depressie's, over angst- en paniekaanvallen. En ook over het gebruik van medicijnen. En over het verscheuren van een ziekmelding.
'Toen ik uit de kliniek kwam,', begin ik ongevraagd te vertellen, 'en de psycholoog mij een brief had meegegeven waarop stond dat ik een borderline persoonlijkheidsstoring heb, heb ik die brief korte tijd later verscheurd en in een prullebak op straat weggegooid. Alsof het daardoor niet bestond.'
De journaliste kijkt mij met een uitermate serieuze blik aan. Ik vraag me af of het bezorgdheid is, of dat het simpelweg de ernst is waarmee ze haar werk doet.

'Kunt u begrijpen waarom Andreas L. het vliegtuig heeft laten neerstorten?', vraagt ze dan.
Ik glimlach en schud mijn hoofd.
Op dat moment zegt de cameraman dat hij even een pauze nodig heeft om een tape te verwisselen. En terwijl hij dit doet, fluistert hij tegen de journaliste, terwijl ze op nog geen twee meter afstand van mij vandaan zijn. Wat is het wat ik in vredesnaam niet mag horen? Als hij de tape heeft verwisseld, kijkt de journaliste mij opnieuw aan.
'Natuurlijk ben ik blij dat je er zo open over spreekt, Viktor.', zegt ze overtuigend. 'Maar ik denk dat het beter is als je niet lacht, als we hierover spreken. We willen voorkomen dat de kijkers denken, dat je het opneemt voor de piloot.'
Opneemt voor de piloot? Wie heeft dat in vredesnaam gezegd?
Als de cameraman een sein geeft, mag ik op de vraag antwoorden. Ik zucht opnieuw. Want ik weet dat ik mijn woorden nu uitermate zorgvuldig moet kiezen.
'Ben ik nu een slecht mens, als ik zeg dat ik het mij wel kan voorstellen?', begin ik. 'Natuurlijk is zijn actie op geen enkele manier goed te praten. Nooit! Het door hem veroorzaakte leed is niet te overzien. Maar ik weet dat de uitzichtloosheid die iemand kan voelen na zo'n lange strijd tegen problemen die alleen maar sterker lijken te worden, een peilloos diepe wanhoop is. Eentje die de meeste mensen gelukkig nooit hoeven mee te maken.'
Mijn stem stokt. Voor het eerst sinds twee jaar geleden mijn boek is verschenen en ik in 'DWDD' aan tafel mocht aanschuiven, merk ik dat ik door mijn emoties word overrompeld tijdens een vraaggesprek.
'Het is misschien wel de diepste vorm van radeloosheid die er bestaat.', zeg ik en kijk vervolgens opzij, weg van de camera. En terwijl pers ik mijn lippen samen en haal een keer diep adem, door mijn neus. Om niet in tranen uit te barsten.

Mar 1, 2015

Praten over depressie: ok. Maar het moet niet te zwaar worden, alstublieft!

Praten over depressie lijkt binnen de media steeds gemakkelijker te gaan. Als je uitgaat van het aantal keren dat 'depressie' en soortgelijke thema's voorbij komen, lijkt het ooit bestaande taboe ondertussen verdwenen. Alleen al op tv ('Anita wordt opgenomen', 'Van de straat', 'Over de streep', 'Doe even normaal', diverse documentaire's) is de aandacht over psychische problematiek al lang het ooit door Koot&Bie* gepersifleerde psychologen duo uit de jaren '80 voorbij gestreefd. Ook in kranten en tijdschriften is het bespreken van 'mentale problemen' niet langer uitzondering.

Het gaat dus de goede kant op. Zou je denken. Maar is dat ook echt zo?

Dat laatste vraag ik mij af, als ik kijk naar de manier waarop 'psychisch ziek zijn' onder de aandacht wordt gebracht. In vrijwel alle gevallen valt namelijk één ding op: luchtig. Praten over depressie is ok, heel af en toe mag zelfs iemand roepen dat hij dood wil, maar dan wel het liefst zittend op de bank, met een kopje thee erbij. 'Geluk is voor watjes' grapt de cover van de nieuwe 'Opzij'. Een paar pagina's verderop doet Myrthe van der Meer (schrijfster van o.a. Paaz, waarin ze vertelt over haar depressie) een dansje. Heel luchtig allemaal.

Zijn er uitzonderingen? Ja. Onlangs zond Zembla de documentaire 'Jeroen wilde niet dood' uit. Een genadeloos gevecht tegen depressie werd nietsontziend weergegeven. Het verhaal liep slecht af. Op de site van Zembla heeft deze documentaire zeggen-en-schrijven 13 'likes', als uiting van interesse. Was het te zwaar?

Depressie raakt aan de kern van het bestaan. Het kan aan je vreten als een kwaadaardig gezwel. Praten over depressie is goed. Praten over depressie light – volgens de media althans - nog beter! Let op: hiermee wil ik de ernst van een lichte depressie zeker niet onderschatten. Maar de vrijwel eenzijdige belichting van dit onderwerp biedt weinig hoop voor hen die door een ernstige, levensbedreigende variant zijn getroffen. Welhaast ontbreekt elke vorm van identificatie. En daarmee de kans dat iemand die daadwerkelijk op het punt staat een einde aan het leven te maken, steun vindt in een niet-luchtig verhaal van een of meer lotgenoten.

In zijn boek 'Demonen van de middag' vertelt Andrew Solomon hoe hij hoopte door onveilige seks te hebben, een dodelijke ziekte op te lopen en te sterven, als oplossing voor zijn depressie. In mijn boek 'Het verhaal van mijn zelfmoord' beschrijf ik hoe ik als iemand die lijdt aan een met depressie verbonden minderwaardigheidscomplex, zichzelf wil vernietigen. Dat is zwaar. Dat is echt. En een echte depressie is niet luchtig. Daar weten de meisjes en jongens van de stichting Tweestrijd alles van.

Midden in het door een ongekend hoog aantal suicides gekenmerkte West-Friesland, proberen zij uit alle macht het aantal zelfmoorden in hun directe omgeving terug te dringen. Uitgenodigd voor een lezing, belandde ik afgelopen zondag voor een publiek waar vrijwel iedereen minstens 1 persoon had verloren, door zoals psychiaters dat noemen, harde suicide. Voor de trein. En dat loopt zelden goed af. Maar erover praten biedt steun. En hoop.

Gisteren las ik in een aankondiging over een binnenkort door mij te houden lezing in Deventer: 'Voor mensen die met depressieve of andere klachten leven of die er in eigen kring ermee geconfronteerd worden is dit een bijzondere lezing. Zaken worden benoemd maar het wordt nergens ‘zwaar’.' Het wordt nergens zwaar? Wie heeft dat beweerd? Het wordt hartstikke zwaar! En echt. En oprecht. En eerlijk. En authentisch. En hoopvol. Dus wie durft?

Deventer, maandag 9 maart. Inloop 19.00 uur, start lezing 19.30 uur. In de Wijkwinkel en Bibliotheek Centrum, Brink 70, 7411 BW Deventer Toegang gratis.

* de naam van het tv programma uit midden jaren '80, waarin twee vrouwelijke psychologen een aantal problemen bespraken, wil mij niet te binnen schieten. Koot&Bie hebben later hun typetje 'Mémien Hoolbog' hierop gebaseerd. Weet misschien iemand hoe dat KRO of NCRV programma heette?

Jan 11, 2015

fantoompijnen en fantoomgevoelens

Van de week schreef ik dat ik wakker was geworden door hevige fantoompijnen. Ik heb daar veel reactie's, waaronder vragen op gekregen. Wat fantoompijnen en -gevoelens zijn en hoe ze ontstaan, laat ik over aan de experts.

Kort nadat mijn benen waren geamputeerd, had ik geen pijn! Zelf was ik daar – uiteraard - blij mee. Maar ik herinner mij een dokter in het ziekenhuis die destijds tegen mij zei, dat het niet persé een goed teken was. Want het ontbreken van fantoompijnen vlak na de operatie leidt niet zelden tot een (latere) ontwikkeling van fantoompijnen, die chronisch worden.

Ik heb zowel fantoompijnen, als ook fantoomgevoelens. Deze laatste uiten zich daardoor dat ik mijn komplete benen (alles vanaf de knie-schijf tot aan mijn kleine teen) kan voelen. Mijn kuiten bijvoorbeeld, die kan ik voelen. Ook mijn enkels. Maar ze doen geen pijn.

De fantoompijnen bestaan in mijn geval uit twee soorten. De eerste is chronisch: elke seconde van de dag, vanaf het moment dat ik wakker word, totdat ik in slaap val. Deze pijn voelt alsof ik schoenen draag die twee maten te klein zijn. Schoenen die ik nooit meer kan uittrekken.

Aanvankelijk benauwde mij alleen het idee, dat deze pijn nooit meer zou weggaan. Uiteindelijk (en dan heb ik het over een paar jaar nadat de pijn ontstond) was ik zover dat ik deze pijn kon accepteren. Een plaats geven. Vergelijk het met het dragen van een horloge. Of van een ketting. Of van een bril. Uiteindelijk komt het erop neer, dat het dragen je niet moet gaan irriteren. Toegegeven: een bril of een horloge doen doorgaans geen pijn, hooguit voel je er iets van. Maar het principe is denk ik hetzelfde. Je moet het accepteren en je er vooral niet tegen gaan verzetten.

Gevolg van het accepteren was dat ik kon stoppen met de (zware) pijnstillers. Let op: die pijnstillers (opiaten) nemen de pijn niet weg. Ze verplaatsten deze hooguit naar de achtergrond. Net alsof je drie glazen wijn achter elkaar opdrinkt. Het wordt allemaal wat 'relaxter' om je heen. Maar de problemen (in dit geval: de pijn) verdwijnen niet.

De tweede pijnsoort is ernstiger: dat voelt als (elektrische) schokken. En ik zeg het eerlijk: dat is niet uit te houden. Het goede nieuws is: slechts 1000 mg Ibuprofen helpen. Na het innemen ben ik een uur of 6 a 7 pijnvrij. 'Slechts 1000 mg Ibuprofen?' Ja, want vergelijk het maar eens met de door de medische wetenschap voorgeschreven alternatieven (morfine, codeine, synthetische opiumachtige stoffen).

Gelukkig komt deze tweede pijnsoort niet al te vaak voor. Er kunnen weken voorbijgaan zonder schokken. En soms duren ze drie dagen achter elkaar. Vanzelfsprekend heb ik een hele lijst van alternatieve pijnbestrijding afgewerkt. Van warm- en koud water baden, het toedienen van minimale elektrische prikkels, massage en kruidendrankjes tot aan al-of-niet dubbelgevouwen aluminium folie. Maar helaas.

Tot slot: niet zelden wordt mij gezegd, dat ik niet echt de indruk maak alsof ik de hele dag lijd onder het dragen van te krappe schoenen. Dat klopt! Er niet over praten is onderdeel van het accepteren en het daarmee uithouden van deze pijn. Stel je voor dat je voortdurend loopt te klagen over dit-of-dat: uiteindelijk wordt het daardoor alleen maar erger.

Jan 10, 2015

#JeSuisHoltrop

Willem Holtrop is een Nederlandse tekenaar die werkt op de redactie van 'Charlie Hebdo'. In De Volkskrant van vandaag laat hij zich aanvankelijk nogal laatdunkend uit over de mensen die door middel van #JeSuisCharlie hun medeleven betonen. Een medeleven wat niet in de laatste plaats is gericht aan de nabestaanden, waarvan Holtrop er een is. Of zoals parlementair redacteur Ariejan Korteweg omschrijft: 'de laatste overlevende ... van de generatie die in 1968 met Charlie Hebdo begon.'

Op vragen wat Holtrop vindt van #JeSuisCharlie antwoordt hij: 'Daar moet ik om lachen.' en 'Wij kotsen op al die mensen die nu ineens zeggen dat ze onze vrienden zijn.'

Sympathiek klinkt het geenszins. Veel (extra) abbonees zal het niet opleveren. Maar daar schijnt Holtrop niet mee te zitten: 'Met geldtoestanden heb ik me nooit bemoeid.'

Kun je Holtrop wel serieus nemen, op dit zo emotioneel beladen moment in zijn leven? Zijn zijn uitpraken nu echt zo minachtend bedoeld als ze klinken?

Holtrop is een kunstenaar die leeft in de wereld van zijn tekeningen. Dat zegt hij zelf, als hij wordt gevraagd naar hoe hij het verlies van zijn collega's ervaart: 'Ik ben er niet zo goed in daar woorden aan te geven. Ik ben meer van het tekenen.'

En even later, als het opnieuw over demonstreren gaat: 'Maar als ze demonstreren voor het vrije woord, is dat wel goed natuurlijk.'

Ik stel voor dat we Holtrop blijven ondersteunen. En die kots nemen we hem (vooralsnog) niet kwalijk!