Apr 7, 2016

'Hoe is op dit moment het weer in Olanda?'

Sinds het verschijnen van mijn boek ben ik regelmatig onderweg. Vanwege de afstand en het grote aanbod van zogeheten 'low-cost-carriers' is het transport per vliegtuig een uitkomst.

Al vaker is mij opgevallen dat per land, de in- en uitstapprocedure voor rolstoelrijders nogal kan verschillen. In Bologna gaat het als volgt: eenmaal aangekomen op de luchthaven parkeer ik mijn auto op een speciaal voor invaliden gereserveerde parkeerplaats, dichtbij de ingang. Dit parkeren is overigens gratis. Eigenaren van een (Europese) gehandicapten parkeerkaart hoeven niet te betalen. Dit is bij wet vastgelegd.

Voor wie de luchthaven niet kent - en bijvoorbeeld niet weet waar hij moet inchecken - hangt er buiten bij de vertrekhal op een aantal punten een zogenaamde 'service telefoon'. Het is een hotline die je direkt doorverbindt met de assistentie-desk. Een vriendelijke stem vraagt naar je naam en de vlucht waarop je staat geboekt. Daarop volgt de mededeling vooral te blijven waar je bent: hulp is onderweg!

Hulp betekent een luchthavenmedewerker die je komt ophalen bij de telefoon waarvan je hebt gebeld. Samen ga je het luchthavengebouw in. Bij de 'accettazione' (check-in) krijgt mijn rolstoel een 'taglabel'. Net als bij een koffer is dit een sticker met daarop een streepjescode. Vervolgens ga ik naar de 'controllo di sicurezza' (veiligheidscontrole). Hier wordt zoals bij elke andere passagier mijn handbaggage door de scanner gehaald. Omdat het metaal-detector-poortje afgaat wanneer je er in een rolstoel doorheenrijd, word ik gefouilleerd. Dat stelt meestal niet veel voor. Een aai over mijn schouder links. En een aai over mijn schouder rechts. Basta. E buon viaggio! Klaar. En goede reis!

Voor mij is het inmiddels een traditie geworden. Voordat ik aan boord ga, een espresso drinken en iets zoetigs eten. Er zijn een aantal punten op de luchthaven waar je dit kunt doen. Ondertussen heb ik mijn 'stamkroeg'. Gevolg is dat ik elke keer hartelijk wordt begroet. Veel kost het niet (bij elkaar voor rond 2,50). Het praatje met de barman ('Hoe is op dit moment het weer in Olanda?') komt er gratis bij.

Ook de medewerkers van de mobiliteitsdienst zijn voor mij allang geen onbekenden meer. Samen gaan we in een speciaal voor rolstoelrijders ontwikkeld busje naar het vliegtuig. Ondertussen praten we over van alles en nog wat. Onlangs vertelde een van de jongens, dat hij met zijn collega's een heuse band heeft opgericht. De naam van hun band: 'Gate 13'. Dat kan geen toeval zijn: gate 13 is nl. het trefpunt voor passagiers die niet zelfstandig naar het vliegtuig kunnen.

Nog in het busje stap ik vanuit mijn eigen rolstoel over op een 'boordrolstoel'. Een rolstoel die smal genoeg is om door het gangpad van een vliegtuig te rijden (vandaar de naam 'boordrolstoel'). Eenmaal bij het vliegtuig aangekomen, wordt de cabine van het busje op gelijke hoogte met de zijdeur gebracht (heftruck). De chauffeur stapt uit en klopt op de deur. Zodra de bemanning de deur heeft opengemaakt, kan ik naar binnen.

De man of vrouw van de mobiliteitsdienst duwt mij voorzichtig vanuit de cabine, over een loopplank, het vliegtuig in. Omdat de boordrolstoel geen grote zijwielen heeft, kan ik mij niet zelfstzandig voortbewegen. Om te voorkomen dat ik naar voren val, helpt de chauffeur van het busje mee. Hij loopt voor mij. Terwijl hij zijn hand tegen mijn schouder aandrukt, maakt hij telkens een stap naar achteren. Hoewel iedereen voorzichtig en langzaam doet, is het toch niet helemaal zonder risico. Mocht ik ik echt met een klap naar voren vallen - bijvoorbeeld omdat we tegen een rand oprijden, of de kleine wieltjes blokkeren - dan is het maar de vraag of diegene voor mij snel genoeg reageert om te voorkomen dat ik plat op mijn neus val.

Wat het allemaal niet gemakkelijker maakt: aan de boordrolstoel zitten een paar voetsteunen. Die zijn om de een of andere reden niet (!) inklapbaar. In mijn geval zou dat wel handig zijn. Want ik heb geen voetsteunen nodig! Omdat de steunen niet inklapbaar zijn, steken ze als losse, plastic delen naar voren. Ze dreigen tegen de schenen van de man of vrouw die voor mij staat – en die ook nog eens achteruitloopt – aan te stoten. Oppassen dus.

Ondanks alles gaat het elke keer goed. Wat wellicht helpt is de levendige conversatie die ook tijdens het hele instap-proces gewoon doorgaat. Oftewel: er wordt gecommuniceerd. Eenmaal op mijn plek kijg ik nog een hand. Traditiegetrouw zeg ik dat ik niet kan wachten om snel weer naar huis te kunnen. Er wordt gelachen. Nadat iedereen elkaar een prettige dag heeft gewenst, verdwijnen de medewerkers weer in het busje. Daarna rijden ze terug naar de terminal.

Bij vertrek vanuit bijvoorbeeld Duitsland gaat het anders. Het begint al met het fouilleren. Werkelijk tot in (!) mijn broek gaan de handen van diegene die mij controleert. Ik zal toch maar net achter de rand van mijn broek, ter hoogte van mijn riem, springstof hebben verstopt. Dat was althans het antwoord op mijn vraag waarom ik zo 'intiem' moest worden betast. Daarna moet ik mijn armen strekken. En volgt het dringende verzoek of ik mijzelf even vanuit mijn rolstoel kan optillen. Door met mijn armen op de zijkanten te steunen bijvoorbeeld. Want op die manier kan men onder mijn kont voelen, of daar misschien nog iets zit. Maar zelfs daarna is het nog niet voorbij. Want tot slot wordt mijn rolstoel onderworpen aan een kruidsporen test. Een soort pleister wordt langs verschillende delen van mijn rolstoel gehaald. Daarna wordt deze uitgelezen door een apparaatje. Als alles goed is, begint na een paar seconden een groen lampje te branden. Dit betekent dat mijn rolstoel geen rijdende bom is.

Met optimale zekerheid word ik aan boord gebracht. Na een transfer vanuit mijn rolstoel op de boordrolstoel, word ik vastgebonden vanaf mijn nek tot aan mijn middel. Zou ik nog over benen beschikken, zouden die ook nog worden 'angeschnallt'. In mijn gedachten vraag ik mij weleens af, wanneer het moment komt, dat ik ook nog een muilkorf opkrijg, voordat ik aan boord mag. De boordrolstoel is gemotoriseerd. Hij is ontworpen om over een trap te kunnen 'rijden'. Elke trede wordt als ware omklemd door wieltjes, waarna de rolstoel zichzelf omhoog duwt (of omlaag trekt), tot op de volgende trede.

De wat chaotische maar zeer persoonlijke hulp in Italië staat tegenover maximale zekerheid in Duitsland. Alle vooroordelen lijken te worden bevestigd. Toch is er in Italië nog nooit iets mis gegaan. Dit in tegenstelling tot in Duitsland. Op de luchthaven van München is de boordrolstoel – met mij erop vastgebonden – omgevallen. Er was weinig tijd. En teveel haast. Uiteindelijk ben ik er met de schrik vanaf gekomen. Maar schrikken was het wel.

Conclusie: hoewel ik weet dat het allemaal wat minder stabiel en minder zeker is, verheug ik me nu al op het 'Ciao Viktor, some stai? Tutto bene?' ('Hoi Viktor, hoe is het? Alles ok?') van de Italianen, die me uit het vliegtuig komen halen. Ook al moeten we even oppassen wie waar gaat staan, en hoe ik dit keer zonder kleerscheuren uit het toestel kom. Maar het gaat lukken. Want voordat ik het weet ben ik alweer in de aankomsthal, waar de geur van espresso en 'dolces' mij tegemoetkomt.