Apr 26, 2016

Italië – land van de eeuwige jeugd

‘De onsterfelijken op weg naar de overwinning!’ kopt vandaag de Italiaanse krant ‘Il Resto del Carlino’. Daarbij gaat het niet om de gelijknamige elite krijgsmacht van het Perzische rijk van 500 jaar voor Christus. Maar om succesvolle Italianen van vandaag de dag. Oudere succesvolle Italianen, wel te verstaan.

De doelman van het Italiaanse voetbal kennen we allemaal, al is het maar van gezicht. Bijna 40 jaar oud, heeft Gianluigi Buffon (Juventus) aangekondigd bij het komende wereldkampioenschap in 2018 van de partij te zijn. En het is niet gezegd, dat dat zijn laatste WK is. Ter vergelijking: Edwin van der Sar was 38 toen hij zijn laatste WK speelde (2008).

Gisteren won Valentino Rossi de motoGP race. Met 37 jaar oud laat hij de veel jongere Lorenzo (Spanje, 28 jaar) en Marquez (Spanje, 23 jaar) moeiteloos achter zich. En terug naar voetbal: Francesco Totti, die in 2006 wereldkampioen werd met het Italiaanse team, wordt inmiddels de ongekroonde koning van Rome genoemd. Voor de plaatselijke club scoort hij de ene na de andere goal. Later dit jaar wordt hij 40. Minder bekend buiten de Italiaanse grens: Samuele Papi, met 43 nog altijd een ster onder de nationale handbal spelers. Giancarlo Fisichella, eveneens 43 en coureur bij Ferrari.

‘Er bestaan mensen die het vonkje onsterfelijkheid, wat wij in principe allemaal bezitten, weten te benutten. Het begint allemaal tussen je oren.’, zegt dr. Claudio Costa, begeleider van professionele motorrijders. 'Daar moet je de energie vinden die je nodig hebt om de grenzen van je lichamelijke mogelijkheden, te verleggen.'

En er is goed nieuws voor ons gewone stervelingen: ook wij kunnen deze schijnbare onsterfelijkheid bereiken. Professor Antonio Gasbarrini (kliniek Gemelli, Rome) bevestigt wat zijn collega al eerder zei: ‘Behalve lichamelijk in vorm te blijven, moet je werken aan je geestelijke welzijn. Helaas wordt dat laatste vaak onderschat. Of zelfs volledig verwaarloosd.’

Een goed karakter helpt om jong te blijven?
‘Absoluut. Een opvliegend karakter is slecht voor de gezondheid. Boos worden is niet meer dan een verspilling van energie.’

Maar een mens is ook maar een mens. Hoe moet je dan omgaan met ongerechtigheid?
‘Probeer je te richten op dingen die op de lange termijn van belang zijn. Verlies ‘the big picture’ niet uit het oog.’

Gezond eten lijkt mij wel noodzakelijk.
‘Altijd en overal. Ga je niet te buiten aan excessen. Ook niet in het weekend. En dan heb ik het over te veel (slecht) eten, roken en drinken. En uiteraard is het belangrijk om goed te slapen.’

En wanneer kunnen we ons dan eindelijk echt oud noemen?
‘Ooit was je met 60 oud. Dat is niet meer het geval. Ik ken zelfs 80-jarigen die weliswaar lichamelijk minder sterk worden. Maar door hun gezondheid te koppelen aan hun verworven levenservaring, blijven ze geestelijk in evenwicht. En dus jong.’, aldus Gasbarrini.

Daar wil ik graag aan toevoegen dat het doorgaans milde Italiaanse klimaat, een goed gemaakte pasta met een beetje olijfolie en de instelling dat het leven er is om van te genieten, zeker mee helpen. Oftewel: 'La dolce vita'.'

En we leven hier nog lang en gelukkig.

Apr 7, 2016

Gelijke rechten in Italië. Troppo casino!

Op dit moment woedt in Italië een felle discussie over het wel of niet toekennen van gelijke (adoptie) rechten aan homoseksuele koppels. Een kind heeft een vader en een moeder nodig, riepen zaterdag de tegenstanders tijdens de ad hoc georganiseerde 'FamilyDay'. Een week ervoor scandeerden de voorstanders dat Italië moet ontwaken. Want het land loopt wat dit betreft hopeloos achter op de rest van West-Europa.

Misschien omdat Italië het land van het Vaticaan is? De laatste plek op aarde waar de Rooms-katholieke kerk nog iets van haar tanende macht kan uitoefenen? Want mannen die het met mannen doen, en vrouwen die het met vrouwen doen: dat ziet de kerk niet graag. Hoewel we allemaal weten dat het een geliefde bezigheid is onder haar leden.

Of is het de veronderstelde macho-cultuur? Worden homoseksuelen in Italië gediscrimineerd? Of op straat in elkaar geslagen?

Om het binnen de juiste contekst te plaatsen: de Italiaanse normen en waarden steunen op twee peilers. De eerste is de gemeenschap ('comune'). Het samen-leven staat groot geschreven. De Italiaan houdt er niet van, iets alleen te doen. Bij alles wat hij uitvoert, heeft hij hulp nodig. Dienovereenkomstig vindt hij het de normaalste zaak van de wereld om hulp aan te bieden. Ik zal het nooit vergeten: de allereerste keer dat ik in een Italiaanse stad in mijn rolstoel over straat reed. Ik hoefde maar een seconde stil te staan en wildvreemden kwamen op mij af met de vraag, of ik hulp nodig had.

De tweede peiler is de familie. Deze is net zo belangrijk als eten en drinken. Beter gezegd: eten en drinken doe je met de familie. En het liefst een paar keer per week. Natuurlijk komen er knallende ruzie's voor. Maar het is een ongeschreven wet: met je familie moet je het doen. Praktisch gevolg is dat de meesten dicht bij elkaar in de buurt leven. En voor zover de Italiaan weet, bestaat de familie uit een vader en een moeder. Een opa en een oma. Een oom en een tante.

Nu blijken er alternatieven te zijn. Een moeder en een moeder. Of een oom en een oom. Dat wordt al snel te ingewikkeld. Troppo casino!

En hoe zit het met de Italiaanse macho-man? De meesten wonen tot ver na hun dertigste verjaardag thuis bij papa en mama. En als ze eindelijk zelfstandig wonen, dan komt mama het huis schoonmaken, de was doen en het eten koken. Als het buiten vijftien graden is, moeten ze een muts op en een sjaal om. Bij een trieste film wordt er gehuild. En er hoeft maar iets te gebeuren en ze roepen dat ze 'a pezzi' zijn: gebroken.

Ach, die gelijke rechten komen er wel. Maar het duurt nu eenmaal. Haast is sowieso een woord dat Italianen niet graag uitspreken.

Maar kun je dan als zelfrespecterende homoseksuele man/vrouw nog wel in Italië rondlopen? Absoluut. De politieke touwtrekkerij is nog volop bezig. Maar in het dagelijks leven is de gelijkstelling in de meesten gevallen een feit. En wordt er ergens iets negatiefs gezegd t.o.v. homo's, dan is het land te klein. Een week of wat geleden riep de trainer van het Napolitaanse elftal 'Flikker!' tegen zijn collega van Inter Milan. Achteraf verweerde hij zich door te stellen dat het in de hitte van de strijd was gebeurd. Maar een schorsing dreigde. De trainer ging diep door het stof. Katholicisme, vreemdgaan (niet in de laatste plaats door heteroseksuele politici) en de rechten van homo's. Hoe gaat dat samen? Evelyn Waugh beschreef het in 'Brideshead Revisited', waarin een Engelse student vraagt aan de Italiaanse minnares van de vader van een vriend, hoe zij omgaat met haar katholieke geloof. Zij antwoordt: 'Well, it's different in Italy. Not so much guilt. We do what the heart tells us, and then we go to confession.'

'Hoe is op dit moment het weer in Olanda?'

Sinds het verschijnen van mijn boek ben ik regelmatig onderweg. Vanwege de afstand en het grote aanbod van zogeheten 'low-cost-carriers' is het transport per vliegtuig een uitkomst.

Al vaker is mij opgevallen dat per land, de in- en uitstapprocedure voor rolstoelrijders nogal kan verschillen. In Bologna gaat het als volgt: eenmaal aangekomen op de luchthaven parkeer ik mijn auto op een speciaal voor invaliden gereserveerde parkeerplaats, dichtbij de ingang. Dit parkeren is overigens gratis. Eigenaren van een (Europese) gehandicapten parkeerkaart hoeven niet te betalen. Dit is bij wet vastgelegd.

Voor wie de luchthaven niet kent - en bijvoorbeeld niet weet waar hij moet inchecken - hangt er buiten bij de vertrekhal op een aantal punten een zogenaamde 'service telefoon'. Het is een hotline die je direkt doorverbindt met de assistentie-desk. Een vriendelijke stem vraagt naar je naam en de vlucht waarop je staat geboekt. Daarop volgt de mededeling vooral te blijven waar je bent: hulp is onderweg!

Hulp betekent een luchthavenmedewerker die je komt ophalen bij de telefoon waarvan je hebt gebeld. Samen ga je het luchthavengebouw in. Bij de 'accettazione' (check-in) krijgt mijn rolstoel een 'taglabel'. Net als bij een koffer is dit een sticker met daarop een streepjescode. Vervolgens ga ik naar de 'controllo di sicurezza' (veiligheidscontrole). Hier wordt zoals bij elke andere passagier mijn handbaggage door de scanner gehaald. Omdat het metaal-detector-poortje afgaat wanneer je er in een rolstoel doorheenrijd, word ik gefouilleerd. Dat stelt meestal niet veel voor. Een aai over mijn schouder links. En een aai over mijn schouder rechts. Basta. E buon viaggio! Klaar. En goede reis!

Voor mij is het inmiddels een traditie geworden. Voordat ik aan boord ga, een espresso drinken en iets zoetigs eten. Er zijn een aantal punten op de luchthaven waar je dit kunt doen. Ondertussen heb ik mijn 'stamkroeg'. Gevolg is dat ik elke keer hartelijk wordt begroet. Veel kost het niet (bij elkaar voor rond 2,50). Het praatje met de barman ('Hoe is op dit moment het weer in Olanda?') komt er gratis bij.

Ook de medewerkers van de mobiliteitsdienst zijn voor mij allang geen onbekenden meer. Samen gaan we in een speciaal voor rolstoelrijders ontwikkeld busje naar het vliegtuig. Ondertussen praten we over van alles en nog wat. Onlangs vertelde een van de jongens, dat hij met zijn collega's een heuse band heeft opgericht. De naam van hun band: 'Gate 13'. Dat kan geen toeval zijn: gate 13 is nl. het trefpunt voor passagiers die niet zelfstandig naar het vliegtuig kunnen.

Nog in het busje stap ik vanuit mijn eigen rolstoel over op een 'boordrolstoel'. Een rolstoel die smal genoeg is om door het gangpad van een vliegtuig te rijden (vandaar de naam 'boordrolstoel'). Eenmaal bij het vliegtuig aangekomen, wordt de cabine van het busje op gelijke hoogte met de zijdeur gebracht (heftruck). De chauffeur stapt uit en klopt op de deur. Zodra de bemanning de deur heeft opengemaakt, kan ik naar binnen.

De man of vrouw van de mobiliteitsdienst duwt mij voorzichtig vanuit de cabine, over een loopplank, het vliegtuig in. Omdat de boordrolstoel geen grote zijwielen heeft, kan ik mij niet zelfstzandig voortbewegen. Om te voorkomen dat ik naar voren val, helpt de chauffeur van het busje mee. Hij loopt voor mij. Terwijl hij zijn hand tegen mijn schouder aandrukt, maakt hij telkens een stap naar achteren. Hoewel iedereen voorzichtig en langzaam doet, is het toch niet helemaal zonder risico. Mocht ik ik echt met een klap naar voren vallen - bijvoorbeeld omdat we tegen een rand oprijden, of de kleine wieltjes blokkeren - dan is het maar de vraag of diegene voor mij snel genoeg reageert om te voorkomen dat ik plat op mijn neus val.

Wat het allemaal niet gemakkelijker maakt: aan de boordrolstoel zitten een paar voetsteunen. Die zijn om de een of andere reden niet (!) inklapbaar. In mijn geval zou dat wel handig zijn. Want ik heb geen voetsteunen nodig! Omdat de steunen niet inklapbaar zijn, steken ze als losse, plastic delen naar voren. Ze dreigen tegen de schenen van de man of vrouw die voor mij staat – en die ook nog eens achteruitloopt – aan te stoten. Oppassen dus.

Ondanks alles gaat het elke keer goed. Wat wellicht helpt is de levendige conversatie die ook tijdens het hele instap-proces gewoon doorgaat. Oftewel: er wordt gecommuniceerd. Eenmaal op mijn plek kijg ik nog een hand. Traditiegetrouw zeg ik dat ik niet kan wachten om snel weer naar huis te kunnen. Er wordt gelachen. Nadat iedereen elkaar een prettige dag heeft gewenst, verdwijnen de medewerkers weer in het busje. Daarna rijden ze terug naar de terminal.

Bij vertrek vanuit bijvoorbeeld Duitsland gaat het anders. Het begint al met het fouilleren. Werkelijk tot in (!) mijn broek gaan de handen van diegene die mij controleert. Ik zal toch maar net achter de rand van mijn broek, ter hoogte van mijn riem, springstof hebben verstopt. Dat was althans het antwoord op mijn vraag waarom ik zo 'intiem' moest worden betast. Daarna moet ik mijn armen strekken. En volgt het dringende verzoek of ik mijzelf even vanuit mijn rolstoel kan optillen. Door met mijn armen op de zijkanten te steunen bijvoorbeeld. Want op die manier kan men onder mijn kont voelen, of daar misschien nog iets zit. Maar zelfs daarna is het nog niet voorbij. Want tot slot wordt mijn rolstoel onderworpen aan een kruidsporen test. Een soort pleister wordt langs verschillende delen van mijn rolstoel gehaald. Daarna wordt deze uitgelezen door een apparaatje. Als alles goed is, begint na een paar seconden een groen lampje te branden. Dit betekent dat mijn rolstoel geen rijdende bom is.

Met optimale zekerheid word ik aan boord gebracht. Na een transfer vanuit mijn rolstoel op de boordrolstoel, word ik vastgebonden vanaf mijn nek tot aan mijn middel. Zou ik nog over benen beschikken, zouden die ook nog worden 'angeschnallt'. In mijn gedachten vraag ik mij weleens af, wanneer het moment komt, dat ik ook nog een muilkorf opkrijg, voordat ik aan boord mag. De boordrolstoel is gemotoriseerd. Hij is ontworpen om over een trap te kunnen 'rijden'. Elke trede wordt als ware omklemd door wieltjes, waarna de rolstoel zichzelf omhoog duwt (of omlaag trekt), tot op de volgende trede.

De wat chaotische maar zeer persoonlijke hulp in Italië staat tegenover maximale zekerheid in Duitsland. Alle vooroordelen lijken te worden bevestigd. Toch is er in Italië nog nooit iets mis gegaan. Dit in tegenstelling tot in Duitsland. Op de luchthaven van München is de boordrolstoel – met mij erop vastgebonden – omgevallen. Er was weinig tijd. En teveel haast. Uiteindelijk ben ik er met de schrik vanaf gekomen. Maar schrikken was het wel.

Conclusie: hoewel ik weet dat het allemaal wat minder stabiel en minder zeker is, verheug ik me nu al op het 'Ciao Viktor, some stai? Tutto bene?' ('Hoi Viktor, hoe is het? Alles ok?') van de Italianen, die me uit het vliegtuig komen halen. Ook al moeten we even oppassen wie waar gaat staan, en hoe ik dit keer zonder kleerscheuren uit het toestel kom. Maar het gaat lukken. Want voordat ik het weet ben ik alweer in de aankomsthal, waar de geur van espresso en 'dolces' mij tegemoetkomt.

Apr 6, 2016

Daniël Rovers 'Lampedusa' - Pretentieus gelul

Toegegeven: als je je druk gaat maken over al het geouwehoer wat je om je heen hoort, kom je nooit meer tot rust. Vandaar dat ik mijn opwinding beperk tot uitlatingen van Nederlandse schrijvers en journalisten over Italië. Als inwoner van dit Zuid-Europese land heb ik vaker simpelweg verzonnen nieuwsfeiten aan de kaak gesteld. Vrienden maak ik er niet mee. Maarten Veeger (correspondent voor o.a. 'Het Financieel Dagblad' en 'BNR') heeft mij op Twitter geblokkeerd.

Een week of twee geleden viel het boekje 'Lampedusa’ van Daniël Rovers in de brievenbus. Een Paasgeschenk van uitgeverij Wereldbibliotheek. Rovers reist vanaf Amsterdam naar Lampedusa, om de opvang van Noord-Afrikaanse vluchtelingen te bekijken. Uit het begeleidend schrijven: '... over een dappere poging om de werkelijkheid op haar staart te trappen.’

Dapper of niet, die werkelijkheid wil Rovers nog weleens ontglippen. Op een van de laatste bladzijden staat: '...de cameraploeg van Sky, de zender van Berlusconi...'. 'Sky' is een media multinational, ooit opgericht door Rupert Murdoch. Silvio Berlusconi is eigenaar van 'Mediaset', een concurrent van 'Sky' op de Italiaanse markt. Helaas blijft het niet bij deze fout.

Vanuit Amsterdam via een onverklaarde omweg via België en Frankrijk, belandt Rovers in Milaan. In zijn twintig jaar oude rugzak heeft hij een blauw Buroclass-ruitjesschrift en een exemplaar van 'Wat en Hoe in het Italiaans?' van Prisma bij zich. Als hij in een krantenartikel leest dat een vluchteling na aankomst op Lampedusa heeft gezegd: 'Het is een van de mooiste dagen van ons leven.', raakt hij bijna ontroerd. En wanneer hij 's-avonds een glas bier drinkt, geeft hij geen fooi aan de serveerster. In plaats daarvan schenkt hij het wisselgeld aan een Bengaalse straatverkoper.

Zijn ontmoetingen met de lokale bevolking zijn dan ook een stuk minder romantisch. In het verhaal worden Italianen beschreven als onbeleefde tot ronduit asociale vlerken, racistisch tot op het arrogante af, op hinderlijke wijze luid pratend, onverantwoord in het verkeer, een beetje dom en nog lelijk ook: graatmager, of veel te dik. Het land zelf verkeert, volgens de schrijver althans, in staat van chaos. Uit de radio klinkt alleen maar popmuziek uit de vorige eeuw.

Zelfs de kapitein van een bataljon soldaten, die in alle onschuld aan de schrijver vraagt of hij een foto van hem en zijn mannen wil nemen terwijl ze aan het eten zijn, moet het ontgelden: '...heeft wel tijd voor een praatje, wat heel sociaal van hem is, al moet gezegd dat hij het gesprek voert alsof hij een pantserwagen door een vijandog gebied leidt, dat wil zeggen niet gewend aan tegenspraak.' De soldaten komen er ook niet goed vanaf. Over het moment waarop Rovers de foto neemt: 'Glazen worden geheven, mannenhoofden rekken zich opzichtig glimlachend uit...'.

Natuurlijk kent elke samenleving positieve en negatieve aspecten: ook de Italiaanse! Maar als het echt zo beroerd zou zijn, dan was leven hier toch onmogelijk?! Volgens het IMF staat Italië op nummer 8 op de lijst van grote industrielanden wereldwijd. Italië is lid van de G7. De dagelijks omgangsvorm is eerder formeel te noemen. Op goede manieren wordt veel prijs gesteld. Niet voor niets kent de Italiaanse taal een aktief gebruik van de aanvoegende wijs. Een van de grootste beledigingen in de Italiaanse taal is: 'maleducato', wat staat voor een gebrek aan respect en een slecht opvoeding.

Waar Rovers anderen op hun vooroordelen wijst (als hem wordt verteld dat Roemenen achter een in Rome gepleegde verkrachting steken, vraagt hij waarom het geen Sicilianen kunnen zijn geweest), schroomt hij er zelf niet voor terug. Lampedusa wordt omschreven als: 'het meest anarchistische, onbestuurbare deel van Italië.' En verder: '...niemand die zijn belastingen betaalt, niemand die een fuck geeft om het algemeen belang.' Waar hij deze feiten vandaan haalt, is onbekend.

Aan het verstand van een Belgische fotograaf wordt getwijfeld: 'Jorge is de eerste die ik hoor zeggen dat hij het eiland Lampedusa bijzonder vindt.' Even later: 'En ja, hij meent het als hij zegt dat Lampedusianen fantastische mensen zijn.' Ook aan de mening van een bejaarde toeriste die al jarenlang op het eiland komt om vakantie te houden, wordt getwijfeld: '...zij geniet van het paradijs dat Lampedusa in haar ogen is.' Maar zo opmerkelijk is die mening niet: in de zomermaanden verzevenvoudigt zich de bevolking van het eiland met vakantievierders. Blijkbaar kun je het er wel uithouden.

Opnieuw breekt zijn onwetendheid hem op, wanneer de schrijver de eilandbewonders verwijt dat zij zich zorgen maken over het beslag dat de stroom vluchtelingen legt op de watervoorraad. Het eiland wordt van drinkwater voorzien door een regelmatige toevoer vanuit Sicilië. 'Gisteren in L'Aragosta hield het herentoilet ook al niet op met doorspoelen.', meldt Rovers. Ik ben het met hem eens dat dit toilet dient te worden gerepareerd. Maar op de voorraad zoet water heeft het geen enkele invloed. Want juist om drinkwater te sparen, worden de toiletten op Lampedusa gevuld met zout water, afkomstig uit de zee.

In het hele boek staat misschien slechts een ware opmerking, gemaakt door de zoon van een Siciliaanse familie die de schrijver in een trein ontmoet. 'Hoe denkt iemand over Italië te kunnen schrijven als hij de taal niet eens spreekt?' Daaraan voeg ik toe: hoe denkt iemand over een land te kunnen schrijven, als hij de cultuur niet eens kent?

Tot slot, Daniël: op een rotonde mag het verkeer in de binnenbocht inhalen. Dat klppt. En Italiaanse mannen voelen inderdaad regelmatig met hun hand in hun kruis. Maar dat is niet omdat ze, zoals jij vermoedt, een geslachtsziekte hebben. Dat doen ze om ongeluk af te wenden: een gebruik dat teruggaat tot in de Romeinse tijd (fascinum).

Let op: ik ben niet voldoende onderlegd om over Rover's schrijfstijl te oordelen. Gevoelsmatig ben ik het eens met Maarten Rommens: 'Rovers literaire escapades missen een kern; het is mooischrijverij.' Mooischrijverij of niet: hij moet wel de feiten controleren.

Daniël Rovers – 'Lampedusa' (Wereldbibliotheek 2014)

Een hondenleven

Na de zwemtraining wil ik iets te eten kopen aan de bar van het binnenzwembad van San Lazzaro (Bologna). De altijd vriendelijke dame die ik ergens rond de vijftig schat, maakt voor mij een broodje warm en haalt een flesje mineraalwater uit de koelkast. Dan vraagt ze: 'Bent u niet de man van de honden?'
Ik glimlach en knik.
'Dat klopt.', zeg ik en terwijl denk ik terug aan een ruime week geleden, toen het buitenzwembad nog open was.

Het is allemaal begonnen op een avond, kort voor sluitingstijd. Vlak voordat ik naar huis ga, maak ik een praatje met een van de badmeesters.
'Wist je dat het in Nederland een traditie is, om op de laatste dag van het openlucht seizoen, honden in het water te laten zwemmen?', vraag ik hem.
Terwijl de jonge badmeester Davide de laatste achtergelaten ligbedjes opklapt en deze bij elkaar zet, kijkt hij mij verbaasd aan.
'I cani insieme ai suoi padroni?'
Inderdaad: de honden mogen samen met hun baasjes het water in. Tenminste, dat heb ik gelezen op internet.
'Daarna wordt het zwembad toch schoongemaakt!', voeg ik eraan toe. 'Dus het kan geen kwaad.'

Als ik de volgende ochtend bij het bad aankom, roept Davide van veraf dat hij iets tegen mij wil zeggen. .
'Viktor, wat jij mij gisteravond vertelde, dat gaan wij ook doen. Zwemmen met de honden! Aanstaand weekend. Want dan is de laatste dag van het seizoen. Daarna sluiten we.'
Ik ben even verward en kijk naar het grote, vrijwel lege zwembad naast ons.
'Maar dit is een Olympisch 50-meter bad!', roep ik uit. 'In Nederland doen ze dat alleen in kleinere baden. Waar je kunt staan. Met je hond!'
Maar volgens de badmeester hoeft noch de omvang, noch de diepte van het bad de pret te drukken. 'Ach, honden springen toch zo het water in.', merkt hij doodleuk op.
'Dat misschien nog wel.', antwoord ik met een lichte verontrusting in mijn stem. 'Maar hoe komen ze er dan weer uit?'
De jongeman kijkt me aan. Maar hij lijkt mijn bezorgheid niet te delen. In plaats daarvan haalt hij zijn schouders op. 'Ach, dat redden ze wel. Ze klimmen er gewoon weer uit.'

Hoewel ik mij realiseer dat het striktgenomen niet mijn verantwoording is, vraag ik mij af wat er allemaal mis kan gaan. Stel je voor dat er een hond verdrinkt, omdat hij niet op tijd uit het water kan klimmen! En dan blijkt achteraf dat het allemaal mijn idee was! Zelfs al was het helemaal niet zozeer mijn idee, maar enkel een onschuldig praatje waarin ik heb verteld over iets wat ik had gelezen! Dat wil ik natuurlijk niet.

Nu blijkt dat het plan om ook hier een hondenzwemuurtje te organiseren bittere ernst is, stel ik voor om met een zwembad in Nederland waar ze ervaring hebben in het organiseren hiervan, contact op te nemen. Daar is Davide het helemaal mee eens. Terwijl hij ondertussen ijverig reclame aan het maken is voor 'un tuffo col tuo amico a quattro zampe' ('een sprong in het water met je viervoetige vriend') o.a. via Facebook, bel ik met 'De Mirandabad' in Amsterdam.

'Denkt u er vooral wel aan,', vertelt de behulpzame dame aan de andere kant van de lijn, 'dat er iets van een brede trap of een verloop moet zijn, waarover de dieren het water in en uit kunnen. Want honden hebben een vacht en die zuigt zich vol met water. Dan kunnen ze behoorlijk zwaar worden!'

Terwijl de vrouw mij nog een paar andere tips geeft, maak ik aantekeningen. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe Davide grappige en lachende hondengezichtjes aan het tekenen is op een schoolbord. Dat bord moet straks bij de ingang van het zwembad komen. Op die manier worden de bezoekers attent gemaakt op het aankomende honden-zwem-spektakel.

Een dag later heeft Davide samen met een collega een brede, houten plank uit de kelder van het zwembad gehaald en deze vervolgens vastgemaakt aan een van de trapjes aan de zijkant van het bad. Deze plank zou het mogeljik moeten maken voor de 'amici a quattro zampe' ('viervoetige vrienden') om het water in en uit te komen. Maar hout blijft drijven.

Ik stel voor dat op het moment dat de eerste honden arriveren, twee collega's het water ingaan om de plank naar beneden te duwen, het water in. Op die manier onstaat er een soort loopplank. Of misschien eerder een glijbaan. Maar in ieder geval iets wat het mogelijk moet maken voor de dieren om ook weer uit het water te komen.

Als die zondagmiddag de eerste viervoeters en eigenaars zich melden, vraagt Davide of ik met ze mee wil gaan, naar de rand van het zwembad. Want dan kan hij bij de ingang blijven. En ik hoef mij geen zorgen te maken, zegt hij. Want hij kijkt toe of alles goed. Van minstens vijftig meter afstand.



'Hoe dan ook,', zo vertel ik de vrouw achter de bar in het zwembad, ',het is allemaal goed gekomen. Het was een echt feest voor de honden. Al of niet samen met het baasje, zijn ze het water ingeplonst.'

De vriendelijke vrouw weet mij te melden dat men volgend jaar in alle buitenbaden van Bologna een traditioneel hondenzwemmen wil introduceren, op de laatste dag van het seizoen.

Foto's: Marco Mondatori

Maarten Veeger blokt mij op Twitter

Toen ik een tijdje terug op zoek was naar Nederlandse journalisten in Italië, stootte ik na wat googlen op de naam 'Maarten Veeger'. Via Twitter had ik hem snel gevonden (@Italiansweep), toen bleek dat Maarten in Milaan woont. Hij werkt o.a. voor BNR, het Financieel Dagblad en RTL-Boulevard.

Uit interesse (ik woon zelf ook in Italië) ben ik hem gaan 'volgen' via blogs en tweets. Zijn boek 'Ravioliblues' heb ik gekocht en gelezen. Al snel kwam ik erachter dat Maarten niet alleen een groot aantal fouten maakt in zijn artikelen, maar tevens bespeur ik een naar mijn mening sterk persoonlijk gekleurde berichtgeving, juist waar hij pretendeert een getrouwe weergave van de feiten te presenteren. Ik heb hem hierop enkele malen aangesproken. Het resultaat is dat hij mij nu op Twitter heeft geblokkeerd.

Voor alle duidelijkheid: hier is géén sprake van cyberbullying. Maar omdat ik toevallig ook in Italië woon, stoor ik mij er aan als iemand naar buiten toe (Nederland) een fout beeld geeft van wat er zich hier afspeelt. Zeker als er een schijnbare gemakzucht aan ten grondslag ligt.

In een van zijn recente blogs in het Financieel Dagblad ging het over de schietpartij die plaatsvond op 28 april voor het Palazzo Chigi in Rome. In dit blog citeert Veeger de schutter Luigi Preiti: 'Ik heb niets tegen de politie maar wel wat tegen die klootzakken die me nu honger laten lijden.'

Luigi Preiti heeft echter gezegd: 'Non odio nessuno in particolare ma sono disperato' Dit betekent: 'Ik haat niemand in het bijzonder, maar ik ben wanhopig.'

Hierop stuurde ik een berichtje aan Veeger met de vraag waar hij zijn vertaalde citaat vandaan had gehaald. Zijn antwoord luidde dat hij enigzins vrij met vertalen is geweest, maar dat zijn vertaling wel de kern van de boodschap treft.

Als je iemand citeert, moet je dit volgens mij zo nauwkeurig en precies mogelijk doen. Bovendien is Veeger's vrije vertaling ronduit fout. Daar waar de schutter zegt: 'ik haat niemand in het bijzonder', vertaalt Veeger dit met 'die klootzakken'. Het is bijna het tegenovergestelde!

Om op de eerder genoemde schijnbare gemakzucht terug te komen: in zijn boek 'Ravioliblues' staat een stukje over de autofabrikant FIAT. Volgens Maarten Veeger staat de afkorting voor (let op de volgorde) Fabbrica Automobile Italiana Torino. (FAIT). En nee, het is geen woordspeling of andersoortig grapje. Dan denk ik: als je ook maar de geringste affiniteit hebt met het land waar je woont, dan maak je niet zo'n fout, toch?

Tot slot voor nu: toen de eerste voorronde van het Eurovisie Songfestival plaatsvond, de avond waarop Anouk haar 'Birds' ten gehore bracht, twitterde Veeger: 'Wie gaat er voor #italie naar #esf? Staat al in de finale maar hoor er hier niets van. Wellicht weten ze het in NL?'

Hieruit blijkt dat Veeger zo weinig naar de Italiaanse radio en tv kijkt, dat hij niet eens weet dat het Festival di Sanremo de inzending voor het daaropvolgende Eurovisie Songfestival oplevert. Let op: het Festival di Sanremo neemt bijna een komplete week in beslag van 'primetime' RAI 1 (te vergelijken met 'Nederland 1'), waardoor je het nauwelijks kunt missen. Om over de radio-aandacht wat dit festival krijgt maar te zwijgen: de winnaar van Sanremo en tegelijkertijd de Italiaanse inzending voor het Eurovisie Songfestival, stond hier bijna twee maanden lang op nummer 1! Aan Veeger is dit allemaal volkomen onopgemerkt voorbij gegaan. Dat kan gebeuren, maar niet als je verslaggever bent.

Spaghetti Bolognese bestaat niet

Uit eten met het hele zwemteam. Het is een groep van 11 mannen en vrouwen, de meesten tussen de 35 en de 45 jaar oud. Ze kennen elkaar al jaren. Zelf ben ik er een paar jaar geleden bijgekomen. En natuurlijk wordt er regelmatig gezamenlijk gegeten. Zeker een of twee keer per maand. Zo ook afgelopen weekend.

Na de training rijden we – over drie auto's verdeeld - achter elkaar aan naar een restaurant wat door een van hen is uitgezocht. De rit op zich is al een heel avontuur. Want om Bologna heen liggen heuvels. In die heuvels liggen veel leuke kleine hotelletjes en restaurants. Maar om daar te komen moet je van de bredere verbindingswegen af, de smalle paadjes tussen de heuvels op. Met de de nodige steile hellingen en scherpe bochten. En dan maar hopen dat er geen tegenliggers komen! Voor mij als semi-toerist een ware expeditie.

s'-Avonds komt daar nog de duisternis bij. En geen straatlantaarn te bekennen. Geen vangrail langs de soms toch wel behoorlijk diepe afgrond. Italianen rijden dit soort wegen bij wijze van spreken met hun ogen dicht. Of zo lijkt het tenminste. Maar ik ben geen Italiaan. Terwijl ik goed moet opletten waar de weg überhaupt heengaat, praten de drie teamgenoten die bij mij in de auto zitten, onafgebroken tegen mij aan! Mijn interne processor draait op volle toeren.

Eenmaal aangekomen blijkt het om een klein hotel te gaan (11 kamers), 'Il Poggio' genaamd. Het ligt in Ozzano dell'Emilia. Op de menukaart staan gerechten die zijn gemaakt van en met alles wat uit eigen tuin (spreek: boerderij) komt. Of het nu gaat om de vulling van de 'tortelloni', het gegrilde vlees (koe en varken) of de 'zuppa inglese' - wat overigens niets met soep te maken heeft. Het is een regionele dessert specialiteit. Lijkt op taart. Ook voor de wijn en de grappa geldt: 'fatto in casa'.

Zo'n gelegenheid noemt men een 'agriturismo'. In het Nederlands wellicht het beste te vertalen met 'biologische (vakantie)boerderij'. Doordat alleen ter plekke beschikbare ingrediënten worden gebruikt, is het aanbod beperkt. Er zijn ongeveer 5 verschillende voorgerechten om uit te kiezen, afgestemd op het seizoen. Het aantal hoofdgerechten is niet veel groter.

Als 'antipasto' (een voor-voorgerecht) nemen we 'crescentine' (gefrituurd brooddeeg). Dat eet je met rauwe ham, mortadella en salami. Maar het kan ook met bijvoorbeeld ingelegde uien, olijven en een salade met paddestoelen. Als voorgerecht ('primo piatto') neem ik een combinatie van 'gnocchetti di patate' (gemaakt van meel en aardappel). Deze worden geserveerd met stukjes tomaat en basilicum. Daarbij komen 'tortelloni' met gorgonzola en walnoten. Normaal ben ik niet zo'n fan van gorgonzola. Maar bij deze combinatie kan ik mijn vingers aflikken.

Als hoofdgerecht ('secondo piatto') komt er een 'mixed grill' op tafel: stukjes kalfs- en varkensvlees. Daarbij gegrilde groenten. Ik moet bekennen dat ik sommige groenten niet kan thuisbrengen. Maar smaken doet het absoluut. Net als de verschillende soorten brood.

Ondertussen vertel ik dat je dit soort gerechten helaas niet zo vaak ziet in buitenlandse, Italiaanse restaurants. Wel zijn er altijd pizza's, de bekende lasagna en spaghetti Bolognese.

'Viktor, spaghetti Bolognese bestaat niet!', roept iemand. De rest knikt instemmend.

Huh? Heb ik het misschien fout uitgesproken? Wat blijkt: spaghetti Bolognese is een nep-gerecht, uitgevonden door slimme Italianen die tegemoetkomen aan de smaak van buitenlanders. Want een origineel Italiaans gerecht is het allerminst. Met Bologna heeft het al helemaal niets te maken.

In het kort: spaghetti is een van de vele pasta-soorten die Italië rijk is. Spaghetti komt uit het Zuiden van het land. Het wordt gemaakt van water en meel. In Bologna (wat meer tegen het Noorden aan ligt) wordt de bekende tomatensaus met gehakt ('sugo Bolognese') weliswaar gegeten, maar dan met 'tagliattelle'. Dit is een pasta-specialiteit (afkomstig uit de regio Bologna), gemaakt met eieren.

Als nagerecht neem ik een citroensorbet. Voor, tijdens en na het eten is er rode en witte wijn, water met en zonder bubbels, koffie met grappa en/of limoncello. Die laatste twee worden niet per glas geserveerd. in plaats daarvan komen kompleet gevulde flessen drank op tafel. En iedereen krijgt een leeg glaasje. En of je er nu ééntje drinkt, of twee. Of drie. Of nog meer. In de prijs maakt het niet uit.

Over de prijs gesproken: alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door 11 komt het op een bedrag per persoon van precies Euro 23,50. Dat is toch zeer schappelijk te noemen voor een diner van deze kwaliteit!

De kruidenier

Mijn dagelijkse boodschappen doe ik een klein winkeltje. In Nederland zou je het een kruidenier noemen. Hier noemt dit een 'alimentari', wat in principe niets meer betekent dan 'voedsel'. Je ziet dit soort winkeltjes nog regelmatig in kleinere Italiaanse steden en dorpen. Ondanks de vaak beperkte oppervlakte van een 'alimentari' kun je er praktisch alles krijgen: van verse groenten en vleeswaren tot aan wc papier. Van appeltaart tot aan afwasmiddel.

De alimentari van Alberto Pasquini en zijn vrouw is zo klein en staat zo vol met alle spullen, dat er maar net vier of vijf klanten bij kunnen. Zoals gezegd kun je er van alles kopen. Maar de keuze per artikel is beperkt: in plaats van twee of drie (of meer) verschillende soorten rauwe ham is er één rauwe ham. Hiervan wordt voor elke klant de gewenste hoeveelheid vers afgesneden. Verder ligt er in de koelvitrine één gekookte ham, één mortadella (een soort boterhammenworst), één salami en één kalkoengebraad. Meer vleeswaren om uit te kiezen zijn er niet. Wel is het allemaal van de beste kwaliteit.

Er is sinaasappelsap, grapefruitsap en vitaminesap, allemaal van hetzelfde merk. Naast gewone joghurt is er alleen aardbeienjoghurt te koop. Wel is er spaghetti in minstens 7 verschillende diktes verkrijgbaar. En er zijn wel tien of meer verschillende soorten wijn en bier. Een kwestie van prioriteiten stellen.

Zaterdag is altijd een beetje een feestdag in 'het kleine winkeltje' zoals ik het liefkozend noem. Want alleen op zaterdag wordt er zelfgemaakte tortelloni met ricotta en lasagna verkocht. Deze pasta specialiteiten worden gemaakt door de zus van Alberto Pasquini, die op zaterdag meehelpt in de winkel. Tenzij zijn zuster weg is (meestal is ze dan naar zee, als ik het goed heb begrepen) of een andere 'impegno' (bezigheid) heeft: dan is er geen huisgemaakte pasta te krijgen. Zo simpel is dat.

Het kleine winkeltje heeft een groot aantal trouwe klanten die allemaal met naam worden begroet. 'Ciao Viktor!', klinkt het als ik door de smalle deur naar binnenrijd. Van trouwe klanten wordt wel verwacht dat ze alles wat ze nodig hebben bij de Pasquini's kopen.

Op zaterdagmiddag is de zaak gesloten. Het kan weleens gebeuren dat tegen het einde van de ochtend er onverhoopt geen brood meer is. Voor de late bezoekers zoals ik, niet handig. Zo keek ik vorige week tegen een lege broodmand aan. De eigenaresse vroeg mij hoe ik dat nu ging doen: een weekend zonder brood! Op zo'n moment zeg ik niet dat ik wel even een brood ga halen in de supermarkt, die vanavond tot 20:00 uur open is. In plaats daarvan zeg ik dat ik dit weekend ook wel overleef zonder brood door bijvoorbeeld een extra grote portie tortelloni te nemen.

Nog niet zo lang geleden stond ik met een andere klant te wachten tot we aan de buurt waren. Deze ietswat oudere, vriendelijke dame fluisterde mij zachtjes toe, dat ze weleens naar de supermarkt gaat voor rundvlees of kip.
'Want dat hebben ze hier niet altijd vers.' sprak ze.
Daarbij keek zij mij aan op een manier die zoveel wilde zeggen als: maar dat blijft wel onder ons.
Ik knikte begripvol.
Daarna bekende ik dat ik ook weleens 'stiekem' naar de supermarkt ga. Maar de naam van de bekende Italiaanse keten durfte ik niet uit te spreken. Stel je voor dat het echtpaar Pasquini het zou horen!

In augustus gaan de Pasquini's op vakantie naar Zuid-Italië. Dan is het kleine winkeltje drie weken dicht. Toen ik een paar geleden voor de eerste keer deze zomersluiting meemaakte, vroeg de eigenaresse aan mij op de laatste dag voor de vakantie, met lichte wanhoop in haar stem: 'Maar waar moet jij nu je boodschappen doen?'

Ik stelde haar gerust door te zeggen dat ik wel 'iets zou regelen met de buren'. Het zou wel goed komen, beloofde ik haar. Toen ik die middag het winkeltje verliet kreeg ik bij het afscheid een 'bacio', een zoen! Ongetwijfeld oprecht gemeend. Maar misschien ook om zeker te stellen dat ik na drie weken zonder eten en drinken te zijn geweest, wel weer terugkom bij de Pasquini's!

La Dolce Vita

Volgens Italianen zit het ware geluk in lekker kunnen eten. En dat doe je in rust ('con calma') en bij voorkeur samen (vrienden, familie). Geniet van wat je te eten krijgt! Als het door anderen is bereid, geneer je dan vooral niet om na de eerste hap duidelijk te laten blijken, hoe goed het je smaakt. Want je mening wordt verwacht! Het kan zelfs gebeuren dat bijvoorbeeld in een kleinere eetgelegenheid de bediening naast je tafel blijft staan, nadat ze het bord voor je hebben neergezet. Net zolang totdat je de eerste lepel soep, spaghetti-sliert of stukje vlees hebt geproeft. Daar moest ik wel even aan wennen, omdat ik simpelweg niet begreep waar men op stond te wachten. Maar inmiddels is mij dat duidelijk. Ze willen weten of het smaakt!

Is de maaltijd voorbij, dan is een espresso een vanzelfsprekendheid. Toen ik vorige week hier in de buurt met een aantal buitenlanders onderweg was, vroeg ik of een van hen misschien liever een cappuccino wilde i.p.v. een espresso. Meteen werd ik door de eigenaar van de trattoria gecorrigeerd: in Italië drinkt men geen cappuccino na het eten. Dat doen alleen toeristen. Een cappuccino is voor bij het ontbijt.

Het dagelijks leven in Italië is echt niet alleen maar 'la dolce vita' ('het zoete leven'). Net als de rest van de wereld, kent Italië volop problemen. Maar een typisch Italiaanse eigenschap is, om er het beste van te maken. Het is een kunst om van kleine, alledaagse dingen, iets leuks te maken. Iets vrolijks. Het gaat erom dat je even kunt glimlachen. Dat is alles. Maar voor een mens is dat soms net voldoende, om je wat beter te voelen.

Die kleine grapjes - noem het speelsheid - kom je overal tegen. Zo ook in het zwembad. Om de orde te kunnen handhaven is het bad onderverdeeld in banen voor 'beginners', 'gemiddelde zwemmers' en 'snelle zwemmers'. Op zich niks bijzonders. Bijna in elk zwembad waar ik kom, tref ik deze onderverdeling aan. Meestal worden hiervoor bordjes gebruikt met daarop de overeenkomstige termen. Of er staat: 'snelle baan'. Of 'alleen crawl'. Zakelijk en duidelijk. In het zwembad hier om de hoek hebben ze dat op deze manier opgelost:

 

Nuotatori principianti: uit de Disney film 'Finding Nemo' een schildpad die twee visjes leert zwemmen, waarbij hij zelf op zijn rug zwemt. De baan voor de beginners.

Nuotatori intermedi: de gemiddelde, zogenoemde gezelschapszwemmers die met elkaar praten terwijl ze van de ene kant van het zwembad naar de andere kant onderweg zijn.

Nuotatori veloci: de snelle zwemmers. Let op de haai die de kleine visjes (de beginners en gezelschapszwemmers) de stuipen op het lijf jaagt. Maar goed, het is dan ook de baan voor de snelle zwemmers.Beginners en gezelschapszwemmers kunnen beter een baantje opschuiven.

Tegelijkertijd kun je aan deze indeling - in tegenstelling tot in andere landen - geen 'rechten' ontlenen. Dat betekent dat het zomaar kan gebeuren dat je in een baan voor snelle zwemmers iemand aantreft, die je eerder bij de gezelschapszwemmers zou hebben ingedeeld. Het sociale aspect (samen samenleven) prevaleert boven de regels. Het is verbazingwekkend hoe soepel en makkelijk zich de bezoekers aan elkaar aanpassen. In alle bescheidenheid: ik heb al heel wat baantjes gezwommen in zwembaden verdeeld over heel wat landen. In Italië heb ik verreweg de minste ruzies tussen al of niet express tegen elkaar opgebotste badgasten meegemaakt.

En mocht je toch per ongeluk een botsing maken, is een 'Scusa!' voldoende om je te verontschuldigen, waarna de tegenpartij veelal 'Niente! zal antwoorden. Oftewel: niets aan de hand. En zo kan een langzame baan ineens een snelle baan blijken. Of andersom.

Toch een beetje 'la dolce vita' in het zwembad.

Terug naar Italië

Als ik vertel dat ik in Italië woon, roept dit veelal meteen allerlei vakantiegedachten op. Je ziet ze denken: hij zit vast en zeker onafgebroken op een terrasje espresso's te drinken en pizza's te eten. Of ligt op een stretcher ergens op het strand aan de zee. Helemaal onjuist is het niet. Want natuurlijk drink ik hier af en toe een espresso. Of ik eet een pizza. En in de zon lig ik ook. Maar leven in Italië is toch wel iets anders dan er op vakantie zijn.

Toegegeven, ook ik ben via verscheidene vakantie's met dit mooie land in aanraking gekomen. Nauwelijks 4 of 5 jaar oud was ik, toen ik met mijn ouders naar Cattolica ging, niet ver weg van Rimini. Een paar jaar achter elkaar brachten we elke zomer een week of twee door aan het strand, direct aan de Adriatische kust. De in die tijd (jaren '70) ontstane herinneringen hebben Italië als 'warm en prettig' in mijn hoofd verankerd.

Toch heeft het bijna 35 jaar geduurd, voordat ik opnieuw naar 'il bel paese' ben gegaan. Dit keer als bezoeker van de boekenbeurs in Bologna. Een zakelijke beurs. Dat is uiteraard heel wat anders dan een strandvakantie. Maar ook hier vielen de schoonheid van de taal, de vriendelijkheid van de mensen en het vermogen om van kleine, dagelijkse dingen (eten!) te kunnen genieten, op.

Uiteindelijk heb ik in de zomer van 2011 de stoute schoenen aangetrokken...euh... ben ik in de stoute rolstoel gaan zitten en naar Bologna gegaan. De 40 inmiddels gepasseerd, bedacht ik mij dat het weleens mijn laatste kans zou kunnen zijn om nog één keer in mijn leven een nieuw begin te maken.

Tijdens een verblijf van een kleine twee weken in een goedkoop hotel in San Lazzaro (bij Bologna) heb ik mij ingeschreven bij een aantal kantoortjes die zich bezighouden met het verhuren van woningen. Ondanks mijn noodzakelijk te noemen voorwaarden (geen trapjes, treedjes of al te hoge drempels en bovendien een parkeerplaats voor mijn auto) vond ik al snel een grappige 2 kamerflat, net achter de heuvels van Bologna, midden in het Italiaanse binnenland. In de tussentijd had ik ook de zwembaden kunnen verkennen: wie mij een beetje kent weet, dat zwemmen tot mijn dagelijkse bezigheden behoort. Onder het mom 'Als ik er eenmaal zit, dan zie ik wel verder.', ben ik een paar weken later verhuisd.

De eerste maanden waren zwaar. Heel zwaar. In al mijn spontaniteit (lees: naïviteit) had ik het leren van de taal toch ietswat onderschat. Daarnaast gaat ook in Italië die mooie zomer weer voorbij. Wat volgde was een natte en stormachtige herfst. Om over een onvergetelijk harde winter maar te zwijgen. Ruim zeven maanden lang (october t/m april) niks geen zon, strand, terras of buitenzwembad! Op het punt gestaan om mijn koffers te pakken en terug te gaan naar Olanda, heb ik begin 2012 met mezelf afgesproken om het tenminste een vol jaar uit te zingen. Op die manier zou ik alle seizoenen een kans geven. Daarna kon ik beslissen om wel of niet te blijven.

Inmiddels ben ik hier nu alweer bijna vijf jaar! En wat heb ik een hoop meegemaakt! In dit blog ga ik het allemaal vertellen: over de mensen om mij heen, de beruchte burocratie, de sociale spelregels, de manier van autorijden, de ouderwetse politiek en de moderne opvattingen van de man-in-de-straat. Afgewisseld met af en toe een simpel maar lekker recept voor in de Nederlandse keuken! Rechtstreeks vanuit Pianoro (BO), alles over (over)leven in Italië: la mia vita!